top of page

Het land van Lincei: Tov

19 aug
6 minuten om te lezen
Personage Tov uit Het land van Lincei
Personage Tov uit Het land van Lincei

6e schrijver: Remke Westerhof


Ik was naar beneden geroepen door mijn ouders. Weer ruzie. Echt heftig dit keer. Mijn

moeder had haar handen om de mijne geklemd waarin mijn telefoon zat. Ze

probeerde mijn vingers ervan af te wurmen. Mijn knokkels waren wit weggetrokken. Ze

keek verwilderd uit haar ogen en schreeuwde naar mijn vader: ‘Doe iets verdomme!’

Mijn vader snelde toe waardoor mijn aandacht verslapte en mijn moeder de telefoon

uit mijn handen kon rukken. Ze scrolde er snel doorheen: ’15 uur schermtijd vandaag,

écht, zo kan het niet langer!’ Ze vloekte en smeet mijn telefoon tegen de keukenmuur

kapot.

Ik: ‘Ik haat je!’

Ik gaf mijn moeder een harde duw toen ik langs haar naar buiten rende. Mijn hartslag

was skyhigh. Ik bleef rennen, de straat uit, langs het veldje met de bouwkeet waar ik

wel eens met mijn vrienden blow, richting het spoor dat daar over de rivier heen gaat.

Ik huilde, snot liep uit mijn neus en mengde zich met de regen die met bakken uit de

lucht kwam. Drijfnat boog ik voorover met mijn handen op mijn knieën. Ik hijgde. Toen

ik overeind kwam zag ik iets verderop een vrouw naast de spoorwegovergang. Ze had

lang zwart haar en tuurde in de verte. Ze prevelde iets wat ik niet kon verstaan en zette

een voet op de biels van het spoor. In de verte het gedender van een naderende trein.

Dit was niet goed.

Ik: ‘’Hee!’

Ze schrok en draaide zich naar me toe. Haar ogen boorden zich in de mijne. Katachtige

ogen, met een geel landschap met iriserende zwarte eclipsen als pupil in het midden.

Ik werd erin getrokken! Mijn oren suisden, licht flitste, een zwarte tunnel. Boem! En

toen… stilte…. NIKS.

Het geluid komt terug. Suizen, in de verte krekels. Ik lig op de grond. Ik raak mijn

gezicht aan, mijn haar, ik beweeg mijn vingers. Automatisch raak ik mijn broekzak aan.

Geen telefoon. Ik ga rechtop zitten. Waar ben ik? Wat is er gebeurd? Het was iets naars

maar ik weet niet wat. Ik kraak mijn nek en kijk langzaam om mij heen. De avond

kleurt roze en paars. Een zwoele bries strijkt langs mijn gezicht. Ik ril. Het ruikt zoet.

Prikkelende kou geeft me kippenvel. Een rode maan klimt langzaam omhoog. Ik spring op en word bevangen door een heerlijke energie. Wow, wat is het hier mooi! Een

uitgestrekt landschap met dottige grashalmen, kreekjes, bloeiend struikgewas, kleine

rotspartijen die dwars over het landschap lijken uitgestrooid. Ik beklim er één en kan

nu nog verder kijken. Dit lijkt wel een Fortnite landschap! Deze game herken ik! Ik kick

een paar keer met mijn been in de lucht en spring energiek van de rots af. Ik breek een

stevige tak van een boom af en steek hem tussen mijn riem en broek op mijn rug. Ik

raap een puntige steen van de grond en kijk opgewonden om me heen welke kant ik

op zal gaan.

Ik: ‘Yiiiihaaaa!!!’

Oostwaarts ga ik, daar waar een sterrenregen als een serie pijlen mij de richting wijst.

Een echo weerklinkt.

***

Zaga: ‘Reizigers, we kunnen beginnen.’

In het kielzog van Okami heeft de groep de grot van de waarheid bereikt. De paarden

worden vastgemaakt aan een paar woudreuzen op het open veldje voor de grot. Okami

is als een sfinx voor de smalle opening in de hoge rots gaan liggen. Zig aait haar kop en

loopt voorzichtig achter haar langs. De groep betreedt één voor één een lange,

klamme gang die uitkomt op een open ronde ruimte met een heel hoog gewelf. Er

heerst een serene stilte.

Bea: ‘Wow, dit lijkt wel een kathedraal.’

Hoog in de koepel is een rond gat waar het licht van de heldere nacht naar binnen valt

en de ronde ruimte zwak verlicht. In een cirkel staan in steen gehouwen bankjes.

Zaga: ‘Zoek allemaal een plekje uit.’

Zig haalt een plunjezak van zijn schouder gevuld met hout en twijgen. Stram knielt hij

in het midden van de cirkel en steekt behendig een vuurtje aan.

Zig: ‘Goed. Fijn dat we compleet zijn en nu echt kunnen beginnen met dat waarom we

hier zijn.’

Jack kijkt onrustig om zich heen. Hij lijkt niet te willen begrijpen waarom hij hier is.

Zaga: ‘De bloedmaan zal over dertig minuten loodrecht boven de grot van de waarheid

staan. Dat is het moment waarop ons krachtenveld optimaal zal zijn en wij ons kunnen

gaan wijden aan onze belangrijke taak om….’

Geschuifel en gesnuif. De paarden zijn nerveus en hun onrust is tot in de grot te voelen.

Zaga: ‘Voor die taak is het nodig om….’

Het gesnuif wordt luider en ook Okami begint nu zacht te grommen. Zig komt met

moeite uit zijn hurkzit naast het vuurtje, pakt Jack die vlakbij op het bankje zit zacht

maar stevig bij zijn arm en hijst zich omhoog.

Zig: ‘Kom, ik heb wat extra mankracht nodig.’

Samen lopen ze via de nauwe gang naar buiten om poolshoogte te nemen. De

achterblijvers kijken elkaar met grote ogen aan. Buiten loopt Zig naar Caeruleum toe

en aait het paard over de neus.

Zig: ‘Shhhh… rustig maar, wat is hier allemaal aan de hand?’

Dan horen ze gekraak boven zich. Zig en Jack draaien zich om en zien een jonge

jongen boven de ingang van de rots naar beneden springen. Soepel vangt hij zijn klap

op, maakt een koprol naar rechts en staat snel weer op zijn benen.

Ik: ‘Hai! Eindelijk, ik dacht dat ik jullie was kwijtgeraakt maar ik heb jullie gevonden.’

En met een knipoog:

‘Ik kom in vrede.’

Zig kijkt de jongen lang en indringend aan.

Zig: ‘Dat is tenminste iets.’

En laat weer een lange stilte vallen.

Ik: ‘Ik volg jullie al een tijdje op afstand. Ik wilde even zeker weten of jullie geen kwaad

in de zin hadden maar jullie zien er totaal niet agressief uit. Dat ben ik ook niet hoor,

dat lijkt misschien wel zo met mijn twee wapens.’

Hij steekt zijn stok en zijn puntige steen trots naar voren en maakt een karate-

beweging.

Ik: ’Ik ben hier eigenlijk gewoon vet aan het genieten. Ik weet niet waarom ik hier ben,

maar het bevalt me. Ik heb alleen onwijs trek, hebben jullie wat te eten voor me?

Jack: ‘Ik lust ook wel wat.

Vanuit de grot klinkt de stem van Bea.

Bea: ‘Zig, kun je komen?’

Zig duwt de twee mannen zachtjes richting de grot.

Zig: ‘Meekomen graag.’

De groep kijkt ontzet op als ze even later de nieuweling de cirkel zien binnenlopen.

Zaga stamelt: ‘Maar de groep zou compleet zijn.’

Geroezemoes vult de ruimte.

Zaga: ‘Wacht! Stil! Nog vijftien minuten en dan staat de maan boven de grot en moeten

we beginnen. Nieuweling, kom snel naar voren en stel je voor.

Ik: ‘Ik… ik ben….'

Bea: ‘Wacht!’ Ze grijpt het zakje met de letters en houdt het de jongen voor.

Bea: ’Grabbel maar en vorm je naam.’

De jongen steekt zijn hand in het zakje, rangschikt en herschikt de letters.

Zaga: Welkom Tov. Meestal voorzien we wie we hier nieuw ontvangen maar dit keer is jouw komst ons helemaal ontgaan. Hoogst ongebruikelijk… Maar vertel ons, hoe ben je hier gekomen?

Tov denkt na en tuurt de kring zoekend rond. Zijn blik blijft haken aan Bea.

Tov: Jij! Ik zag jou, je wilde voor de trein springen, ik riep je, weet je nog? Je keek me

aan en toen werd alles duizelig.’

Bea krimpt ineen bij de herinnering aan het verschrikkelijke moment bij de trein. Ze

voelt zich bloot en kwetsbaar bij de gedachte aan haar wanhoopspoging.

Bea: ‘Dat klopt, ik weet het ook.’

Tov: ‘En toen begon het te suizen en werd ik een tunnel ingetrokken en er hier weer

uitgespuugd. Híer, in dit verrukkelijke oord!’

Een kleine glimlach verschijnt op het gezicht van Zig. Het jeugdige enthousiasme van

de jongen voelt goed, er schuilt een kracht in waarvan hij denkt dat ze het nodig

hebben.

Zaga: ‘Goed. Maar waarom ben je hier?’

Tov krabt op zijn achterhoofd en herinnert zich plotseling de ruzie met zijn moeder. Als

een spraakwaterval begint hij het voorval te beschrijven.

Tov: ‘Ze kon alleen nog maar over één ding praten. Dat het verkeerd zou aflopen met de

planeet, dat mijn generatie afgestompt is door de smartphone, dat het ons allemaal

geen moer interesseert. Denkt ze dat het allemaal niks met me doet? Dat ik vrolijk

word van al die doemscenario’s? Ik ben niet gek, mijn generatie is niet gek. We krijgen

het allemaal mee maar het lijkt alsof iedereen alleen maar op het negatieve wil

focussen. En dáár worden wij heel lamlendig van. Het gaat ook goed, hoor! Het gat in

de ozonlaag is dicht, de groene zeeschildpad is van uitsterven gered, vorig jaar is een

record aantal kilo plastic uit de oceaan gevist. Je moet positief blijven anders kan je

maar beter meteen het bijltje erbij neer gooien.’

Tov gooit met kracht een denkbeeldig bijltje neer en draait met zijn ogen. Zig en Zaga

wisselen een blik van verstandhouding. Deze knul vertegenwoordigt een belangrijke

groep op aarde, de toekomstige generatie. Door een bizarre speling van het lot is hij als

een soort ‘collateral damage’ gelijk met Bea door het oog van Lincei meegekomen. En

dat is goed. Zijn energie is nodig om de klus te klaren.

Op dat moment schuift de bloedrode maan over de grot en het gat in het gewelf. Een

rode lichtbundel snijdt loodrecht naar beneden, in het midden van de cirkel. Zaga heft

haar handen naar de hemel en sluit haar ogen. Ze begint te neuriën en de anderen volgen.

 
 
 

Opmerkingen


© 2023 by Orde & Chaos 

bottom of page