- Orde&chaos
- 7 dagen geleden
- 13 minuten om te lezen
2e schrijver route G: Henk Alders

Langzaam ontwaak ik uit een diepe en verwarrende droom.
Ik wandelde door een prachtig woest landschap en stond plotseling oog in oog met een
katachtig dier met lange puntige oren. Een Lynx.
Het beest keek mij vriendelijk maar indringend aan. Het leek mij uit te dagen om samen op
avontuur te gaan. Van avonturen hou ik wel, maar dit is wel een vreemde metgezel.
Weer keek de lynx me doordringend en ook aanmoedigend aan. “Toe maar”, leek het te
willen zeggen. Maar wat dan... Plotseling werd ik met hoge snelheid een kleurrijke draaikolk
ingezogen.
Voorzichtig opende ik mij ogen. Waar ben ik?
Boven mij een groen dak, ondersteund door een dikke rode stam. Uitlopers van de stam
doorkliefden als aders het dak. Dan besef ik dat ik onder een gigantisch rabarberblad lig.
Maar dat kan toch niet; daarvoor ben ik veel te groot. Wat is er met mij gebeurd? Ik moet
opeens heel klein zijn geworden.
Steunend op een arm kijk ik langzaam om mij heen. Links van mij liggen in een klein kuiltje
3 gespikkelde eitjes. Het kuiltje is bekleed met kunstig door elkaar heen geweven stengeltjes en kleine blaadjes. Een zacht bedje.
Een vaag gevoel van herkenning. Beelden uit een vorig leven komen in mij op.
Achter mij klinkt een zenuwachtig gepiep. Ik draai mij zover mogelijk naar achteren en zie
dan de witte kwikstaart die niet gediend is van mijn bezoek. Zijn lange staart gaat
zenuwachtig op en neer.
Rustig maar, ik ga al weg. Althans als ik overeind kan komen uit mijn benarde positie. Maar
dat gaat verrassend makkelijk. Lenig kruip ik onder het bladerdak vandaan. Als ik opsta zie ik dat ik kleine dunne beentjes heb met relatief grote blote voeten.
Wat is er toch met mij gebeurd en waar ben ik?
Ik sta op een smal zandpaadje. Aan ene kant een groot rabarberveld. Aan de andere kant een slootje met helder water. Ik zie mijn gestalte in het water en schrik enorm.
Ben ik dat? Een klein mannetje met een dik rond hoofdje, punt- oortjes en een warrige krullenbol. Wat is er toch met mij aan de hand?
Weer bekruipt mij het vage gevoel dat ik deze omgeving ken.Voor mij op het zandpaadje dribbelt het witte kwikstaartje druk heen en weer. “Volg mij maar”, lijkt het te willen zeggen. Het beestje loopt met parmantige stapjes en een steeds opwippende staart voor mij uit. Aan het einde van het pad zie ik een klein schuurtje. Aan een kant hoog opgestapelde houten kisten.
Er komt een man uit het schuurtje. Maar... dat is mijn vader. Ben je daar eindelijk jongen. Ik
wil je iets moois laten zien. Hij tilt mij hoog op naar de bovenste rand van de kisten. Door
een kiertje zie een klein nestje met 4 piepkleine, net uit het ei gekomen, vogeltjes. Kan je het zien jongen, een nestje van de geelgors.
Dat vogeltje ken ik wel, prachtig geel met bruin gestreepte vleugeltjes. Overal rond de tuin
van mijn vader hoor je hun karakteristieke gezang. Het geluid dat Beethoven inspireerde
voor het begin van zijn vijfde symfonie: Tatatataaaaaa--- tatatataaaaa
Dan sta ik opeens weer op de grond, helemaal alleen. Wat gebeurt er toch met mij? Waar is mijn vader? Droom ik dit alles?
Langzaam komen herinneringen in mij op en verschijnen beelden op mijn netvlies van een
ander bijna 80-jarig leven. Ik ken dit gebied omdat ik hier als kind vaak kwam.
Maar dit land bestaat al lang niet meer. Ik heb gezien hoe het in mijn leven als mens in 50
jaar is opgeslokt door de industrie, staalfabrieken die veelkleurige rookpluimen uitstorten die de natuur hebben verdrongen en de mensen in de omgeving ziek maakten.
Opeens besef ik dat ik door de lynx in een andere gedaante ben teruggezet in de tijd.
Maar waarom?
Ik loop naar het toegangspad van de tuin en schrik dan plotseling van naderende geluiden.
Paardenhoeven klinken in de verte. Komt daar het jachtgezelschap van de jonkheer aan? de man van wie mijn vader het land pacht. Maar ik hoor geen geschreeuw en ook niet het
geluid van stokken die tegen bomen worden geslagen. Er komen geen drijvers aan die het
wild opjagen. In de verte zie ik een groep paarden die rustig aan komen lopen. Op een ervan zit een klein meisje dat vrolijk naar mij zwaait. Als ik nieuwsgierig dichterbij kom roept ze: “Hallo” Ik ben Bea, wie ben jij?
Abe: Ja wie ben ik? In verwarring stamel ik dat ik dat eigenlijk niet weet.
Ik vertel van de droom en de lynx en de kleurrijke draaikolk en alles wat er daarna met mij is gebeurd. Ik herinner mij vaag dat ik als oude man naar bed ging in een andere wereld.
In het spiegelende water heb ik gezien dat ik nu op een dwerg lijk met spillebeentjes en grote voeten en een groot hoofd met veel warrig haar.
Bea: Je bent in het land van Lincei.
Je ben, op uitnodiging van de lynx, het avontuur aangegaan om de mensen zich meer te
laten beseffen dat ze onlosmakelijk verbonden zijn met de natuur en de plicht hebben om
die natuur te beschermen, zodat ze zelf niet ten onder gaan In dit avontuur mag je zelf een
naam uitkiezen. Uit deze zak mag je 7 letters halen en daarvan een naam samenstellen die
past bij jou. Q E A B R MK O
Abe: Ik zie onmiddellijk de naam ABE tevoorschijn komen. Dat is de naam die bij past in
mijn nieuwe gestalte tijdens deze queeste. Abe staat voor edel erfgoed. Zo zou je de aarde
kunnen zien. De mensen op deze planeet hebben de plicht om dit erfhoed te beschermen en in goede staat door te geven aan volgende generaties. Deze naam lijkt mij goed te passen bij de missie waarvoor wij door de Lynx zijn uitgenodigd.
ABE is dus mijn naam
Bea: Dat is inderdaad een heel toepasselijke naam zegt Bea. Je ziet er trouwens uit als een
soort orakel, heel grappig met die grote voeten en dat grote hoofd.
Abe: Waar kom jij eigenlijk vandaan Bea. Het lijkt of je zo uit de woestijn komt met die
leuke woestijnschoenen aan. Dat is hier duizenden kilometers vandaan.
Bea: Ja dat klopt. Gisteren, toen mijn avontuur begon, werd ik wakker in een woestijn met
hoge bergen in de verte. Daar heb ik mijn eerste avontuur beleefd en de paarden ontmoet
met informatie over deze queeste.
Maar vanochtend werd ik opeens wakker op een open plek in een bos, hier niet ver vandaan. Maar wij moeten nu verder op onze tocht. Sluit je bij ons aan?
Abe: Dat doe ik graag zegt Abe. Ik wil jou uitnodigen voor een tocht door dit mooie land. Ik
ben hier in mijn jeugd als mens opgegroeid. Ik noem dit het verloren land uit mijn jeugd.
Abe: Omdat we door de lynx zijn teruggezet in de tijd krijgen we de kans om te zien hoe de
natuur hier lang geleden was en hoe de mensen daar toen mee omgingen. Ik kan je laten
zien wat er allemaal verloren is gegaan. Gelukkig zijn er ook positieve ontwikkelingen
sindsdien waar we hoop uit moeten putten. Daar vertel ik later over.
Lang niet alles was beter in het verleden. De meeste mensen waren zich niet echt bewust van de schoonheid van hun natuurlijke omgeving en van de waarde ervan. De diversiteit werd als vanzelfsprekend beschouwd In die situatie was van natuurbescherming dan ook geen sprake. Ook toen waren natuurwaarden vaak ondergeschikt aan andere belangen
Graag neem ik je mee naar een prachtig gebied aan de voet van de duinen, waar ik soms
stiekem naar toe ging. Dat mocht eigenlijk niet van mijn vader. Maar voor mij en mijn
broertje was dat een paradijs vanwege de talloze vogelsoorten die er nestelden. Wij hadden
niet alleen interesse in die vogels en hun zang, maar ook in de eieren die we daar konden
vinden voor onze natuurverzameling van schelpen, stenen, vlinders en .... vogeleieren. Zo
ging dat toen. We groeiden op met de natuur om ons heen, maar hadden geen benul van de schade die we aanbrachten Er was immers een overvloed, zo dachten we. Het kon dus geen kwaad. Van natuurbescherming hadden we nog nooit gehoord.
Bea: Waarom mochten jullie daar niet naar toe van je vader? Wilde hij niet dat jullie eieren
verzamelden?
Abe: Nee hoor, daar zei hij niets van. We zaten nog op de lagere school, het was ver lopen
en de tocht was niet ongevaarlijk. Er waren al eens problemen geweest.
Bea: Oh, vertel daar eens over.
Abe: Om ons paradijs te bereiken moesten we eerst door een donker en een beetje eng bos. Maar het grootste gevaar was boswachter DONKERS die daar heerste. Voor hem waren we echt bang. Hij woonde alleen in een klein huisje aan het zandpad waar wij overheen moesten. Hij had waarschijnlijk een hekel aan kinderen. Altijd liep hij rond met een geweer over zijn schouder. Toen hij ons een keer betrapte schoot hij met hagel in de lucht om ons flink te laten schrikken, zodat we nooit meer terug zouden komen.
Bea: Maar boswachters lopen toch niet de hele dag met een geweer. En waarom wilde hij
jullie laten schrikken. Je liep toch gewoon over het pad.
Abe: Om dat te kunnen begrijpen moet je weten dat de gebieden aan de binnenrand van de duinen tussen Zandvoort en Bergen al decennialang in bezit waren van Jonkheren en andere eigenaren met een adellijke achtergrond. Bekend waren onder meer de families Boreel, Six, van Tuyl en Gevers. Het gebied waar wij als kind veel kwamen en waar mijn vader stukken grond pachtte, was van Jonkheer Boreel. Deze eigenaren namen mensen in dienst om hun gebied te beheren en te bewaken. Het waren eigenlijk geen boswachters zoals die in de huidige tijd bijdragen aan natuurbeheer, maar jachtopzieners. Hun enige taak was om te zorgen dat er zoveel mogelijk fazanten, patrijzen, houtsnippen en konijnen in zijn domein leefden. Er werden daarvoor ook jonge fazanten uitgezet, die op boerderijen werden geteeld. Kinderen in het bos konden nesten van die vogels verstoren en moesten daarom worden geweerd. Vaak waren ze in de nacht actief om stropers, die er toen vanwege de armoede veel waren, op heterdaad te betrappen en in te rekenen. Vallen werden gezet om wezels, bunzings en ook wilde katten te vangen Die zijn gek op de eieren en jonge vogels van de bodembroeders. Vossen waren een ander doelwit. Ook werden nesten van andere eieren rovers als kraaien, Vlaamse gaaien en eksters doorschoten, zodat die zich niet konden uitbreiden. Roofvogels werden beschoten of vergiftigd en kwamen nog nauwelijks voor in dit gebied. Met al die activiteiten waren ze druk. Niet met het beschermen van de natuur.
In het gebied waar wij als kind veel kwamen waren twee jachtopzieners aangesteld.
De eerste, Scheffer was zijn naam was verantwoordelijk voor het gedeelte waar mijn vader
een tuin pachtte van de landheer. Mijn vader kon goed met hem opschieten en voor mij en
mijn broer was hij ook wel aardig. Hoewel hij het eigenlijk vervelend vond dat wij door zij
territorium scharrelden, profiteerde hij er ook van. Hij vroeg vaak aan ons of we nog nesten
van fazanten hadden gezien op onze tochten door het bos. Die vonden we inderdaad
regelmatig om dat we als kleine kinderen makkelijk door dichte bossages konden sluipen.
Als wij hem dan daar naartoe brachten kregen we een stuiver. Ook wilde hij weten of we
nesten van Vlaamse gaaien en andere eieren rovers hadden gezien.
Het was maar goed dat hij niet wist dat mijn vader eigenlijk een grote stroper was. Tussen de rijen wortels, rabarber en andere planten zette hij strikken en klemmen. Fazant en konijn stonden dan ook regelmatig op het menu in ons gezin. Regelmatig moest ik voor het naar school gaan kijken of we iets gevangen hadden. Dat was een onderdeel van onze band met de natuur.
De tweede, met de naam Donders, heerst over het gebied met veel dicht en donker bos. Dat gebied lag tussen de landjes van de tuinders en ons paradijs, waar hij niets te vertellen had! Hij liet zich zelden zien in de buurt van de tuintjes. Mijn vader en ik kenden hem dan ook nauwelijks. Zijn reputatie was wel bekend; Altijd een geweer bij zich en bijna elke nacht op pad om stropers te betrappen. En, zoals ik al vertelde, van kinderen hield hij niet.
Bea: Maar Abe, wat was de reden voor dit alles?
Abe: Dit bizarre beheer van zijn domeinen had alleen als doel om te verzekeren dat de
jachtpartijen van de jonkheer en zijn vrienden uit hoge kringen, succesvol waren. Een
eeuwenoude traditie van plezier jagen. Ik heb als mensenkind helaas een keer gezien hoe
dat er toeging. Ze waren nietsontziend en het is zelfs voorgekomen dat ze in hun jachtlust de gewassen van mijn vader vertrapten.
Daarom schrok ik in eerste instantie ook zo toen ik jou en de paarden hoorde aankomen.
Bea: Dat waren dus ook al barre tijden voor de natuur. Dat wist ik helemaal niet. Ik snap nu
wel dat jullie bang waren om door zijn gebied te trekken. Als je dat dan toch soms deed, dan moet dat paradijs wel heel bijzonder zijn
Abe: Zeker Bea.
Er waren in die tijd gelukkig ook veel natuurlijke gebieden die niet onder dit soort beheer
stonden. De industrialisatie was nog beperkt en de landbouw was veelal nog kleinschalig.
Die gebieden waren toen nog rijk aan veelsoortige planten, vogels en insecten. Ons paradijs
was zo’n gebied. Donders had daar gelukkig niets te vertellen He was een vrij gebied waar
de natuur toen nog ongestoord haar gang kon gaan. Kruidenrijke (wei)landen en
moerasachtige stroken met grote natuurwaarden.
Omdat we door de Lynx zijn teruggezet in de tijd, heb je de kans om mijn paradijs met eigen ogen te zien. Ik denk trouwens dat Donders nog in bed ligt. Aan de stand van de zon te zien is de ochtend nog niet voorbij. Dan slaapt hij meestal nog uit vanwege zijn nachtelijke tochten. Durf je met mij mee te gaan?
Bea: Ik popel om jouw paradijs te zien Abe en ben voor die Donders echt niet bang.
Klim op een paard en wijs de weg. Daar gaan we.
We volgen het slingerende zandpad door donkere bossen. Op veel plekken scharrelen
felgekleurde fazanten langs de kant. Ze lijken niet echt bang voor ons het huis van Donders
staat er verlaten bij en hij laat zich gelukkig ook niet zien. Na een rustige tocht wordt het pad langzaam breder en zien we in de verte een opeens een lichtstreep opdoemen.
Niet veel later eindigt het pad in een weidse bloemenvlakte, fel verlicht door de middagzon.
In de verte doemen de eerste duinen op. Daar is eindelijk het paradijs
Uitgelaten rennen de paarden de vlakte op en rollen door de geurige weide. Overal zoemen
bijen en andere insecten. Vlinders fladderen om ons heen. De zoete geur van de bloemen en kruiden is overweldigend. Hoog in de lucht zingen veldleeuweriken zonder ophouden hun heerlijke lied. Een grote vogel met een kromme, naar beneden gebogen snavel vliegt op uit het gras en laat zijn jodelende roep horen Een wulp. Niet veel later zien wij
zijn 3 prachtige groene zwart gespikkelde eieren liggen in een spaarzaam bekleed kuiltje
Links van ons vliegen eenden boven een moerasachtig gebied. Een watersnip verschuilt zich haastig in een rietbosje. Aan de rand van het moeras blijft een wilde eend rustig op haar nest zitten. Wat verder in riet moeras prikken twee steltkluten in de bodem, op zoek naar voedsel. In de verte laten tureluurs van zich horen.
Bea laat zich nu in het gras vallen en kijkt ongelovig om zich heen Dit is inderdaad een
paradijs. Dit heb ik nog nooit gezien. Wat een rijkdom. Ze ademt de geurende lucht diep in
zich op.Mijn dwergenhart vult zich met weemoed. Ik weet dat dit alles eigenlijk een droom is die ons heeft teruggebracht naar de tijd van mijn jeugd als mensenkind.
Plots staan de paarden doodstil. Opeens is daar de lynx. Hij kijkt ons recht in de ogen en in
een flits worden we weer opgenomen in een kleurrijke werveling. Plotseling is alles anders. De paarden zijn verdwenen en Bea en ik staan op de restanten van een oud pad dat deels is overwoekerd met gras en brandnetels. Voor ons staan hoge hekken met daarboven prikkeldraad Achter die hekken grote loodsen en monsterachtige machines met pijpen die hoog de lucht in gaan en veelkleurige rookwalmen uitblazen. Bea grijpt mij verward en angstig bij mijn arm. Bea: Wat is er met ons gebeurd, waar zijn we nu opeens?
Als ik mij omdraai zie ik dat het pad in de verte langs een oude woning loopt en op een
grotere weg uitkomt waar auto’s rijden. Ik ken die woning en weet direct waar we zijn. Die
woning stond aan de uitgang van het paradijs en staat er na al die jaren nog steeds. Door het zien we hoe het paradijs zelf sinds mijn jeugd als mensenkind is getransformeerd in een enorm industrieterrein. Als we langs het hek lopen verschijnt uit het niets weer de lynx. We moeten verder met ons avontuur, lijkt het dier te willen zeggen. Het heeft geen zin om hier te staan treuren. En weer worden we meegezogen in die veelkleurige wervelwind.
Opeens staan we op een duintop. Ook de paarden zijn er weer. Overal om ons heen hebben we zicht op talloze fabrieken, hoge schoorstenen met veelkleurige rookpluimen en
windmolens. Als we ons omdraaien kijken we uit over de zee. Het begint intussen al te
schemeren. We hebben honger en moeten een slaapplaats zoeken. De paarden zijn ondertussen afgedaald naar een duindal dat omgeven is door wilgenbosjes. Dat lijkt ook voor ons een goede plek om te overnachten. Nadat we hebben gegeten van de proviand uit een van de zadeltassen die de paarden dragen, zie ik dat Bea tranen in haar ogen heeft.
De plotselinge confronterende overgang tussen mijn Paradijs uit de jaren 50 en het heden is erg groot en heftig. Ik ben in mijn mensenleven daarin langzaam meegegroeid. Maar ook bij mij doet het toch weer pijn. Bea, die veel jonger is, is geschokt door de grote tegenstelling.
Bea: Wat moet er worden van de wereld? De mensen vervreemden van de natuur en van
elkaar. Er blijft niets van over van de natuur en de mensheid als deze ontwikkelingen zo doorgaan. Voor het slapen gaan praten we hier nog over door. Bea is erg somber.
Ik probeer haar enigszins gerust te stellen. Honderden jaren is de natuur nauwelijks door menselijk handelen bedreigd en in grote verscheidenheid aanwezig geweest. Die overvloed en diversiteit werden als vanzelfsprekend beschouwd. Natuurbescherming was dan ook niet aan de orde. De sterke industrialisatie en schaalvergroting in de landbouw hebben in een relatief korte periode plaatsgevonden. Helaas blijkt steeds weer dat de mensheid niet in staat is om vroegtijdig en effectief te reageren op ontwikkelingen die op termijn de kwaliteit van zijn bestaan bedreigen.Toch zie ik veel positieve signalen en initiatieven.
Steeds meer mensen zijn er van doordrongen dat het roer drastisch om moet om verdere
opwarming van de aarde tegen te gaan. “Natuurbeheer” ten behoeve van de plezierjacht is veelal vervangen door natuurbescherming- en ontwikkeling. Biologische landbouw zit in de lift. Initiatieven als “Herenboeren” en "Land van ons” winnen aan populariteit. De opwarming van de aarde, de uitstoot van stikstof en de energietransitie staan op veel politieke agenda’s. Deze thema’s leiden echter nog wel voortdurend tot hevige discussies.
Voordat er een wereldwijde effectieve aanpak zal plaatsvinden moet er eerst een proces
worden doorlopen. Een lang proces van ontkenning van de problemen, van discussies over
de aard, de oorzaken en de ernst ervan, van het voorrang geven aan economische belangen en van uitstelgedrag etc.. Het oude spreekwoord “als het kalf verdronken is dan dempt men de put” is dan ook nog steeds van toepassing. Misschien moeten er eerst nog (veel) meer ernstige milieu gerelateerde rampen plaatsvinden. Uiteindelijk zal de mensheid daadkracht tonen teneinde de opwarming van de aarde te keren en de kwaliteit van ons natuurlijke leefmilieu te verbeteren. Dan zal ook de enorme veerkracht en herstelvermogen van de natuur blijken.
Abe: “Houd moed Bea”
Het is intussen donker. Een bleke maan werpt een vaag licht op onze overnachtingsplek. In
de verte klinkt de lokroep van een bosuil.
Tijd om te gaan slapen.


