top of page

3e schrijver route G: Veerle Labrujere

Personage Gaia
Personage Gaia

Als ik ontwaak na die duizelingwekkende val en slaap (of wat was het eigenlijk dat ik net ervaren heb?) en mijn ogen open, moet ik een paar keer knipperen om na te gaan of ik mijn ogen nu daadwerkelijk open heb. Het is pikkedonker om mij heen. Naarmate ik verder ontwaak beginnen zich steeds meer details helder te worden aan mij. Ik hoor een ruisend geluid verderop, ik zie wat glinsteringen en zie nu dat er aan één kant van mij meer licht valt dan aan de andere kant waar het zo mogelijk nog donkerder is. De geur en het gevoel dat ik waarneem doen me denken aan een tropische vlindertuin. Het is vochtig, maar niet muf, het is een prettige sfeer. Én ik ben nieuwsgierig, open. Ik richt mij op maar vanwege het gebrek aan zicht besluit ik om op handen en voeten op weg te gaan, kruipend. Alhoewel deze plek me aan een grot doet denken voel ik geen rotsen als ondergrond maar een aangenaam fluweelachtige ondergrond. Merkwaardig…

Ik volg het licht dat steeds wat helderder wordt en het geruis is een steeds duidelijker wordend geluid, het geluid van een waterval. Ik kom uiteindelijk ook uit achter een waterval. De waterval voorkomt dat ik kan zien wat de omgeving erbuiten is. Maar zo achter de waterval is het prachtig en heerlijk. Het is een sprookjesachtige omgeving, van kleine regenboogjes die ontstaan door de spetters van de waterval en de zonnestralen die langszij komen. Het water klettert, maar komt zacht neer, alsof het heel licht is. Het brengt een aangenaam soort ruis, dat je zo in trance brengt. De temperatuur is precies goed en alles voelt hier voedend. Ik merk dat ik me verrukt voel, ik neem diepe prettige ademteugen in en adem lang uit. Ik voel me licht, haast alsof ik zweef. Alles lijkt hier precies in balans. En dan onderzoek ik mezelf wat meer, ik heb vleugels, prachtige glinsterende en fijn versierde vlindervleugels. Met een heel palet aan kleuren; paars, rood, geel, oranje en groen. Ik dwarrel en fladder door de verfrissende spetters van de waterval en voel me speels. Wat is het toch heerlijk om helemaal in de natuur en in het moment op te gaan. Terwijl ik dat besef merk ik ook op dat ik eigenlijk niets anders heb dan dit moment. Geen herinnering, geen context, geen idee wie, waar of wat ik ben. Nu voel ik angst, want zonder herinnering of identiteit voel ik geen enkele houvast, geen richting. En tegelijkertijd een gevoel van enorme vrijheid en lichtheid; ik kan en hoef me dus alleen maar te baseren op het hier en nu en mijn ingevingen! Ik voel een enorme ruimte en tijdloosheid, alles is één/verbonden, waarvan ik ergens diep van binnen weet dat die ongekend is, ook al heb ik daar geen bewuste herinnering aan. En al is het hier heerlijk vertoeven, mijn nieuwsgierigheid naar meer neemt de overhand in me. Ik fladder en zweef helemaal door de waterval zodat ik aan de andere kant uitkom. Ik kom uit in een vallei waar de waterval een meertje vult met zacht en helder water. Het is hier een rijkdom aan begroeiing. De kleinste prachtigste bloemetjes en mos en grote bomen met wortels tot in het meer, allen verbonden met elkaar en met alles. Ik wordt direct nieuwsgierig naar de oorsprong waar deze vallei het einde van is. Ik fladder omhoog en zie daarboven het beekje waaruit de waterval ontspruit. Ik besluit het beekje stroomopwaarts te volgen. En ondertussen geniet ik van het zweven over dit beekje. In de verte zie ik meer beweging. Naarmate ik dichterbij kom zie ik een kudde paarden verschijnen die zich verfrissen en hun dorst lessen in de beek, die inmiddels meer een kleine rivier te noemen is. De paarden merken mij nu ook op, spitsen hun oren en draaien hun hoofd naar mij toe. Zowel ik als de paarden lijken een moment te hebben van het aftasten van elkaar; ik stem me af op hun energie, op hun lichaamstaal die ik interpreteer als nieuwsgierig en verwelkomend. Op mijn beurt straal ik nieuwsgierigheid en kalmte uit. De paarden vormen een saamhorige kudde en ik voel de sterke behoefte om onderdeel te zijn van deze kudde. Ik steek mijn arm met vleugel voorzichtig naar ze uit als gebaar van nabijkomen en uitnodiging. Het paard met helderblauwe ogen stapt op mij af. Het buigt zijn hoofd en daardoor zie ik dat het een koker om heeft hangen die het blijkbaar aan mij wil tonen.

“Dank je wel” zeg ik, terwijl ik weet dat de communicatie met paarden niet per taal verloopt.

Ik open de koker en lees de brief.

Ik: “Aha! Vandaar dat ik me hier nu nog niets herinner”

Dan hoor ik geritsel en komt uit de bosjes een ander gezelschap tevoorschijn. Een allerhartelijkst ogend meisje benadert mij direct:

Bea: “Hallo, wat fijn om je te ontmoeten! Ik ben Bea en samen met Abe en Rosa zijn wij aan deze queeste bezig door het land van Lincei. Wij zijn heel benieuwd naar wie jij bent en met welke herinneringen en inzichten jij je bij ons aansluit.”

De openhartigheid, onschuld en het verwarmende enthousiasme van dit meisje werken aanstekelijk.

Ik: “Nou, daar ben ik even nieuwsgierig naar. Laat ik eens beginnen bij mijn naam.”

Ik open het fluwelen zakje en mijn naam verschijnt inderdaad aan me: ‘Gaia’.

Abe reageert direct: “Wat bijzonder, Gaia! 'Gaia' betekent letterlijk 'aarde' en verwijst naar de Griekse mythologische figuur van de aardgodin, die de oermoeder van al het leven is. Zij is de oermoeder, de Aarde, die ontstond uit de Chaos aan het begin van de dingen. De Chaos bevatte alle basisbestanddelen, de vier elementen aarde, water, lucht en vuur. Daaruit ontstond onder andere Gaia.”

Die Abe ziet er dan misschien lollig uit maar je merkt ook direct dat hij een grote wijsheid en levenservaring met zich meedraagt.

Ik: “ Aha, dat past helemaal bij mijn ervaringen van dit moment. Ik voel me zo verbonden met alles om me heen, de hele natuur en ik zie ook hoe alles met elkaar verbonden is, hoe alles één is en tegelijkertijd bestaat uit contrasten die elkaar in evenwicht houden.”

Er komen plots beelden in mij op met een heel sterk gevoel: ik herinner me mijn buik, zo rond als de aarde. Ik draag een kind, ik ben zwanger. Wij zijn samen één op dit moment, al zijn we ook ieder een eigen persoon. Ik voel een enorme liefde en kalmte. Alles klopt en vooral: een diep groot vertrouwen in de natuur. Tijdens mijn zwangerschap ben ik doordrongen van mijn ontzag voor en vertrouwen in de natuur. Wat een wonder is dit en tegelijkertijd zo ‘normaal’, want hele mensenmassa’s krijgen al generaties lang kinderen. Zo’n contrast van een proces dat tegelijkertijd ontzagwekkend groot en uniek is en tegelijkertijd onbeduidend klein en van alle tijden. Dit gevoel van de ‘oermoeder’ Gaia is zo sterk aanwezig in me.

Ik deel mijn herinnering met mijn reisgenoten. En ook over de paradijselijke omgeving van de waterval. Bea en Abe vertellen ook over hun bezoek aan het paradijs uit Abe’s jeugd dat inmiddels al lang geen paradijs meer is en het verdriet en zelfs wanhoop die ze daarover voelen. Vervolgens vult Rosa aan met hun ervaring die net eindigde met de dood van Coco en het roodborstje, symbool van hoop en liefde, dat neerstreek met een boodschap. Rosa ziet er haast gerimpeld en door het leven getekend uit, al is ze nog niet oud. Ze ziet eruit alsof ze de wereld op haar schouders draagt, nogal uitgemergeld. Dit klinkt als een kwetsbare aanblik, maar van kwetsbaarheid is geen sprake, er gaat een gigantische kracht uit van deze vrouw, een enorme draagkracht en weerbaarheid.

Gaia: “En wat was de boodschap van Coco?”

Rosa: “De boodschap hebben we nog niet geopend omdat we jou toen opmerkten. Zullen we de boodschap nu openen?”

Gaia, Bea en Abe stemmen in en luisteren aandachtig.

Rosa leest voor: “Wie verandering van de natuur en het natuurlijke najaagt, verraadt zichzelf en al het andere. De natuur is volmaakt in balans, waar de illusie van tegenstrijdigheden een concept van het menselijk brein is. Dood is onlosmakelijk onderdeel van liefde en van leven, allemaal onderdeel van het absolute allesomvattende en daarmee niet afgescheiden van elkaar. Ik ben er nooit geweest en/of zal er altijd zijn. Laat de illusie van mijn dood jullie verder de weg wijzen naar het ervaren van non-dualisme en jullie doen ontwaken.”

Abe kijkt wat beteuterd en lijkt bijna scheel te kijken terwijl hij deze boodschap probeert te verwerken. Bea is ook duidelijk in de war van deze complexe boodschap en de betekenis ervan maar vangt deze op met haar alom nieuwsgierige en onschuldige houding.

Rosa: Ik snap het niet, Coco is gedood, waar kan dat goed voor zijn?

Ik voel de boodschap in zijn geheel, al duizelen de woorden me als ik me daarop concentreer.

Gaia legt uit: Ja Coco is dood, op de manier die wij kennen en met de manier waarop wij nu denken. Maar in de boodschap wordt uitgelegd dat Coco er ook nog is. Als je aan Coco denkt dat zie je hem weer, ruik je hem weer, kun je hem voelen en kun je nog steeds de toeverlaat, kracht, moed en steun ervaren die hij je geeft. Zijn energie is onderdeel van het allesomvattende en is dus niet weg.

Rosa: ja dat is wel waar, dat wat ik dacht verloren te zijn voel ik juist als ik bij het verlies stilsta.

Gaia: Jouw ervaring van Coco kan nooit doodgaan en wat jij in Coco vond is eigenlijk een weerspiegeling van jouzelf oftewel van het allesomvattende dat je ook in jezelf kan vinden.

Ik ben zelf een beetje verbaasd van al deze woorden van mij, klopt het wel wat ik zeg? Waar haal ik dit allemaal vandaan?

Bea: Kijk daar is het roodborstje van de boodschap van Coco!

Rosa: Ja inderdaad, zullen we het roodborstje volgen?

Bea: Gaia, kom je met ons mee? Vind maar het paard dat jou wil dragen.

Iedereen stemt in en zo vervolgt het gezelschap zijn reis. Het roodborstje vliegt verder de rivier langs stroomopwaarts en duikt dan het bos in dat ernaast ligt. Via kronkelende elfenpaadjes leidt het roodborstje ons door het bos. En dan hoor ik gefluit, dit fluitje komt me bekend voor. Pfieuw tutu, pfieuw tutu, pfieuw tututuuuu. En dan herken ik het: dit is onmiskenbaar het familiefluitje waarmee onze familie elkaar op grote afstand nog kon bereiken. En dan herinner ik me ook dit bos.

Gaia: dit is als Koudhoorn, een gehucht op de Veluwe, daar waar wij tijdens mijn jeugd onze vrije tijd doorbrachten. En waar mijn moeder ons kon wenken met het familiefluitje dat heel wat meters werd gedragen over de weilanden en door het bos. Want toen konden we een hele dag doorbrengen in de ons daar omringende bossen en maar een enkeling tegen komen en hooguit gestoord worden door het geluid van een boer die zijn land bewerkt. We waren telefonisch niet bereikbaar en internet bestond nog niet. Heel soms konden we op ons kleine tv-tje de publieke zenders bereiken met onze antenne. Ik herinner me dat we daar leefden met de seizoenen, met de weersomstandigheden. Ik herinner me ook het enorm indrukwekkende onweer wat daar over kon komen, volgens mijn moeder omdat er relatief veel ijzer in de grond daar zat. Al deze herinneringen zijn van een zeer vreedzame en kalme aard. We leefden daar sociaal best wel afgezonderd, maar wel verbonden met de elementen en de natuur. Als ik aan moeder Aarde denk, dan denk ik aan Koudhoorn.

Abe: dat klinkt ook als een paradijs zoals ik heb gekend!

Gaia: dat klopt, al was het toentertijd voor mij een vanzelfsprekendheid en herkende ik het niet als paradijs.

Bea en Rosa: denken jullie bij een paradijs ook aan een plek in de (ongerepte) natuur?

Rosa antwoordt eerst: het paradijs voor mij is de plek waar mijn reis begon, alleen dan zonder vast te zitten. Strand, jungle, helder water, aapjes. Bij een paradijs stel ik me zo’n soort plek voor, een plek waar alles goed is zoals het is, waar harmonie heerst, dan voel ik me zo één met de natuur.

Bea: En eigenlijk zijn we dat ook toch? Wij zijn onderdeel van de natuur. Als we er zo over praten klinkt het haast alsof wij zelf geen onderdeel van de natuur zijn. En ik heb jullie paradijzen allemaal mogen meemaken, en vind ze allemaal op een andere manier paradijselijk.

En dan verschijnt er in het bos een open plek, met een steencirkel, in spiraal vorm, twee spiralen in elkaar, twee ingangen.

Bea loopt er met haar enthousiasme op af en gaat door één van de spiralen lopen. Abe loopt al mompelend met een vragende blik de andere spiraal. Tot ze elkaar in het midden tegen het lijf lopen. Ze reageren allebei opgewekt over deze ontmoeting en geven elkaar een knuffel. En dan gebeurt iets wonderlijks: ineens vliegen er van alle stenen vlinders op, van allerlei verschillende soorten. Ze fladderen en zweven om Abe en Bea heen. En vormen vervolgens een pijl richting een grote boom met een uil erin. Als het hele gezelschap zijn afwachtende en nieuwsgierige blik op de uil gericht heeft spreekt deze, rustig en gewichtig:

Rosa, hier is je kans om de kist te openen en bevrijd te worden van het touw dat je zo zwaar met je meedraagt. Zodat je de harmonie vindt in jouw paradijs. Om harmonie te vinden daarbuiten, dien je eerst harmonie te vinden in jezelf. Laat je leiden door de vlinders en verenig alle dualiteiten in jezelf die je nu van innerlijke rust onthouden. Je trouwt met jezelf!

Een zwarte en witte vlinder vliegen naar de twee ingangen van de spiraal en blijven daar wachten:

De uil vervolgt: Verenig je met zowel het donkere en duistere als met het lichte en heldere in jezelf: volg de zwarte vlinder door de spiraal en verenig je donkere kant met je lichte kant in het midden van de spiraal waar je de witte vlinder ontmoet.

Rosa loopt bedachtzaam door de spiraal en laat zich leiden en omringen door de vlinders. Als zij zich verenigt heeft met de vlinders, nemen zij een stuk touw en vliegen ermee richting zee. Richting de kist.

Dan volgen een witte en een rode vlinder: Volg deze vlinders door de spiraal en verenig je met de mannelijke en vrouwelijk energie in jezelf.

Vervolgens volgen nog vlinders die symbool staan voor pijn en geluk, voor goed en kwaad, controle en loslaten, vuur en water.

Uil spreekt: en als laatste twee regenboogvlinders die symbool staan voor de vele andere dualiteiten die onze innerlijke harmonie kunnen verstoren en ons ervan weerhouden om het absolute allesomvattende te omarmen, de natuur waar niets aan veranderd hoeft te worden omdat zij perfect is in haar zijn, net zoals jijzelf.

Rosa straalt inmiddels van top tot teen. Zo kwetsbaar en zwaar beladen als ze oogde toen ik haar ontmoette, zo krachtig en stralend oogt ze nu. De regenboogvlinders nemen het laatste stukje touw met zich mee nadat Rosa zich met hen heeft verenigt.

Uil: gefeliciteerd Rosa, dat je maar trouw mag zijn en blijven aan jezelf en daarmee aan al het andere.

Gaia, Abe en Bea beginnen van extase te joelen en dansen en Rosa doet met ze mee. Ze dansen woest en zacht, klein en groot enz.

Ze bouwen met elkaar een vuur en dansen een tijd door met elkaar. Maar dan ineens horen ze een heel hard geluid in de verte dat hun feestje ruw verstoord…..

 
 
 

3e schrijver route G: Hanneke Baart

personage Rosa
personage Rosa

Een klamme hitte houdt mij in zijn greep. Ik krijg geen lucht. Happende naar adem probeer

ik mijn ogen te openen maar mijn oogleden zitten aan elkaar vastgeplakt. Gewekt door

apengeluiden en een kriebel aan mijn neus. Apen die op mijn krakende hersenpan aan het

trommelen zijn. Daar is ook het geluid van water, de zee en de ruisende wind.

Een bungelde staart is het eerste wat ik zie wanneer ik mijn ogen open. Een seconde later

verdwijnt de staart maar algauw ontdek ik de aap. Hij houdt zich schuil achter een groot

palmblad boven mijn hoofd. Door de felle zonnestralen op het blad is zijn silhouet in volle

glorie zichtbaar.

Ik: Jij denkt je zeker voor mij te kunnen verstoppen he?

Ik lig in het warme zand onder het bladerdak van een paar wuivende palmen. Ik probeer

overeind te komen maar het lukt niet. Ik ben verstijfd en alles doet pijn. In mijn linkerhand

hou ik iets vast. Het is een tropische schelp. Automatisch leg ik hem aan mijn hoor: “Luister

naar je hart” fluistert het mij in. Tot mijn grote schrik springt de aap vanuit de boom naar

beneden zo op mijn buik. Vliegensvlug pakt hij de schelp uit mijn hand en rent ermee weg.

Ik spring overeind. Heremietkreeftjes schieten aan alle kanten onder mij vandaan. In mijn verwoede poging om het beest te grijpen vergeet ik de pijn maar nog voordat ik de

achtervolging kan inzetten, struikel ik en val ik voorover met mijn gezicht in het witte zand.

Ik zit vast.

Nadat ik het zand van mijn gezicht af heb geveegd, ontdek het lange touw dat om mijn enkel

vastgebonden zit. Ik ruk eraan en probeer de knoop los te krijgen maar wat ik ook probeer ik

krijg het touw met geen mogelijkheid van

mijn voet. Ik zie het touw verdwijnen in de helderblauwe zee die zich voor mij uitstrekt. Het

is alsof ik verankert zit. Waarom zit ik vast? Hoe kom ik los?

Alles plakt en prikt. Ik voel aan de kleverige haardos op mijn hoofd. Waar ben ik? Ik laat de

omgeving even op mij inwerken. Achter mij zie ik een wildernis van groen, een jungle met

wilde bomen die op een symbiotische wijze met elkaar verstrengeld zijn. Ik zie een

kleurexplosie van de meest prachtige tropische bloemen die lijken te dansen net zoals mijn

dansende jubeltenen met hun felgekleurde roze nagellak. Voor een moment is de pijn in

geen veld of wegen te bekennen en krijg ik ,bij het zien van al die vrolijke kleuren zelfs zin

om te gaan dansen. Een nieuwe pijnscheut haalt mij gauw uit mijn droom. Als dit geen

droom is betekent het dat die bruine voeten met die roze nagels van mij zijn. Mij? Wie ben ik

dan? Verschrikt bekijk ik mijn armen en voel ik aan mijn gezicht. Ben ik dit?

Droom ik dan toch? De heerlijke geur die de tropische bloemen verspreidt, vermengen zich

met de geur van mijn angstzweet. Dan zie ik het aapje zitten met de schelp nog steeds in zijn

hand. Hij ziet mij en komt weer dichterbij. Hij lijkt toenadering te zoeken. Het is een Orang-

Oetang. Wat een deugniet. Aangezien er in geen veld of wegen mensen te bekennen zijn,

voelt de gezelschap van het aapje toch fijn.

Het aapje houdt de schelp tegen zijn hart en wijst vervolgens naar het punt waar het touw in

de zee verdwijnt. Ik maak er uit op dat ik het touw moet volgen.

Ik volg het touw door de branding in de zee tot waar het onder water vast zit. Het water komt

al tot aan mijn schouders en ik moet onder water duiken om te zien waar het touw aan vast

zit.

Op de zeebodem zie ik een grote kist staan waar het touw omheen geknoopt zit. Op de

deksel van de kist ligt een zelfde soort schelp als waar ik mee wakker werd op het strand.

Met man en macht knoop ik het touw los en ruk ik aan de deksel van de kist. Het touw komt

gelukkig los maar de deksel van de kist krijg ik met geen mogelijkheid open. Weer hoor ik

iemand iets fluisteren: “Open de kist en gij zult verlost worden van het touw”

Vastberaden om de kist open te krijgen, duik ik weer onderwater. Alsof mijn leven er vanaf

hangt probeer ik nogmaals om de kist open te krijgen.

Na alles uit de kast gehaald te hebben, geef ik het op.

Met een gevoel van totale ontreddering waad ik terug naar het strand, slepend met het zware

touw nog om mijn enkel.

De Orang-Oetang heeft al die tijd op mij gewacht met de schelp nog in zijn hand. Ook hij

zit er gelaten bij en kijkt mij aan met een blik vol medelijden. Moedeloos plof ik neer op het

strand. Wat moet ik nou doen? Wat is er voor nodig om die kist open te krijgen?

Met een zwaar gemoed blijven we naast elkaar in het zand zitten, het aapje en ik...

Na een tijdje stilzwijgend voor ons uitgekeken te hebben lijkt het aapje schoongevoeg te

hebben van mijn lamlendigheid en in een poging om mij op te beuren begint hij gekke

bekken te trekken en druk om mij heen te dansen. Er zit dus niks anders op dan overeind tekomen en te accepteren dat ik de zware last van het touw moet dragen totdat ik een

oplossing gevonden heb. Om het loodzware touw te kunnen dragen moet ik het gewicht

verdelen door het helemaal om mijn lichaam heen te wikkelen als een prooi in de wurggreep

van een Boa-Constrictor.

We gaan op pad, de Orang-Oetang en ik. Op zoek naar een manier om mezelf te bevrijden

uit deze wurggreep. Ik ben blij met de aap aan mijn zijde. Ik besluit hem Coco te noemen.

Na een stuk over het strand gelopen te hebben met aan de ene kant de dichtbegroeide jungle

en aan de andere kant de blauwe zee, ontdek ik een zwerm vogels heel hoog in de lucht.

Coco is op mijn schouder gesprongen en heeft de schelp nog steeds in zijn knuistje geklemd.

Hij wijst naar de vogels die in een cirkel om iets heen lijken te vliegen.

Op dit punt houdt het strand op en komt de jungle tot aan het water.

Dit betekend dat als we niet terug willen, er niks anders op zit dan de route door de jungle te

nemen. Meteen voelt het alsof mijn keel weer wordt dichtgeknepen en ik snak naar adem. Ik

voel mij doodsbang. Ik wil niet alleen door de diepe donkere jungle. De twijfel slaat toe en

even overweeg ik om terug te lopen over het strand in de hoop daar een veiligere route te

vinden. Maar het vooruitzicht om het lange eind over het strand weer terug te moeten lopen

zonder enige garantie op het vinden van een betere route, doet mij besluiten om Coco

gewoon maar weer te volgen. Hij wijst al een tijdje naar een hele dikke boomstam. Een hele

hoge drempel die we over moeten. Het kost hem geen enkele moeite om erop te klimmen

maar dat geldt niet voor mij. Ik zet me over mijn angst heen en begin aan de klim. Coco

probeert me omhoog te hijsen door aan het touw te trekken dat nog steeds om mijn lichaam

gewikkeld zit. Zonder hem zou dit mij nooit lukken.

Naarmate we dieper de jungle in lopen wordt het donkerder en donkerder.

Ik voel spinnenwebben langs mijn lijf en takjes kraken onder mijn blote voeten. Ik ben bang

en ik wil vluchten maar rennen gaat niet vanwege het zware gewicht van het touw om mij

heen.

Het touw snijdt in mijn schouders en ik weet niet hoe lang ik dit nog volhoudt. Plotseling

hoor ik gekrijs van andere apen. Coco is weer op mijn schouder gaan zitten en laat de schelp

in het voorvakje van mijn tuinbroek glijden. Hij kent alle apen in de jungle en gidst mij

verder door de jungle tot ik overmant wordt door vermoeidheid en ik het gevoel heb niet

meer verder te kunnen. Totaal

uitgeput laat ik mij op de grond tegen een boomstam aan zakken en val ik even in slaap

Ik wordt wakker door het gekraak van takken en tussen het gebladerte zie ik in een flits de

schaduw van een katachtig dier. Coco is nergens te bekennen. Te slaperig om in paniek te

raken zie ik twee figuren en een paard op mij afstappen. Een vrouw met helder groene ogen

en lange zwarte krullen. Ze wordt vergezeld door soort dwergachtig mannetje. Zou het

sneeuwwitje zijn? Dan wordt het weer zwart voor mijn ogen en zak ik weer weg.

De vrouw knielt naast mij neer en legt haar hand op mijn voorhoofd.

Bea: Abe, ze heeft hoge koorts. Deze moet zo snel mogelijk getemperd worden. Haal gauw

een doek met koud water. Ik wacht bij haar.

Abe scheurt een lapje stof van zijn paarse gewaad en verdwijnt weer tussen de bomen. Even

later komt hij terug met een natte lap en een halve kokosnoot water.

Badend in het zweet kom ik weer half bij bewustzijn nog niet in staat om op Bea en Abe te

reageren die mij proberen te verlossen van het touw dat inmiddels veel te strak om mij lijn

heen gewikkeld zit en mij in een wurggreep houdt. Bea dept mijn voorhoofd met de koude

natte lap en laat mij van het water uit de kokosnoot drinken.Bea: Ik ga je helpen deze last te dragen

Als ik een beetje bijgekomen ben helpen Bea en Abe me overeind.

Ik: Wie zijn jullie?

Abe: Dat kunnen we beter aan jou vragen.

Bea: Ik ben Bea en dit is Abe. Samen reizen wij door het Land van Lincei.

Abe: Wie ben jij?

Ik: Dat weet ik dus niet precies. Ik ben wakker geworden op het strand met dit touw om mijn

enkel en.. Hebben jullie trouwens een aapje gezien?

Abe: Bedoel je: “auw!” die ondeugende rakker die mij steeds belaagd met zijn paranoten,

“auw”! Hou daar mee op! Jij deugniet!

Coco heeft zich verstopt in het gebladerte boven ons en bestookt Abe door met paranoten

naar zijn hoofd te gooien. Ik ben opgelucht het aapje te zien.

Bea: We begrijpen je verwarring. Lees eerst maar eens deze brief. Het is de brief van Lincei.

Bea overhandigt mij de brief. De letters dansen nog een beetje voor mijn ogen waarschijnlijk

vanwege de koorts die nog niet geheel gezakt is.

Ik: Op missie? Door het land van Lincei? De band tussen mens en natuur herstellen? Ben ik in het oog van een lynx gesprongen?

Bea: We zoeken naar alles wat we vergeten zijn, onze herinneringen aan wie we zijn en

waar we vandaan komen. De lynx heeft ons op missie gestuurd om ze terug te vinden.

Abe komt met een fluwelen zakje aanzetten. Het is het alfabet van magische schrift

Abe: Eerst maar eens effe grabbelen! Ik: Grabbelen?

Abe: Grabbel maar raak! 7 letters.

Steeds als ik het zakje wil pakken, trekt Abe het gauw weg zodat ik steeds misgrijp. Hij vind

dit zelf nogal grappig en proest het uit van het lachen. Bea spreekt hem streng toe

Bea: Ze heeft nog koorts Abe. Hou daar even rekening mee

Abe: oja, effe vergeten..

Ik schuif wat met de 7 letters die ik uit het zakje gegrabbeld heb. De naam ROSA verschijnt.

Abe: Welkom Rosa! Ga je met ons mee?

Rosa: Als ik nog op mijn benen kan staan, graag!

Ondanks dat ik Abe maar een gek mannetje vind ben ik zeer dankbaar voor de hulp en

gigantisch opgelucht dat ik eindelijk andere mensen heb ontmoet en mij samen met het

aapje bij hen aan mag sluiten.

Dankzij deze ontmoeting voel ik mij niet langer alleen en door het lezen van de brief heb ik iets meer grip op de zaak gekregen. Ik heb nu op zijn minst iets van een verklaring voor de

raadselachtige situatie waar ik mij in bevind.

Dan verschijnt er een witte kwikstaart op ons pad. Abe heeft de vogel al eerder gezien.

Abe: Daar ben je weer! Dat is de witte kwikstaart uit het paradijs die mij al vanaf het

moment dat ik hier ben, de weg wijst!

Rosa: Paradijs? Dat klinkt mij als muziek in de oren. Kunnen we daarheen?

Ik voel ineens een sombere stemming opkomen. Bea en Abe kijken bedrukt.

Abe: Wij komen er net vandaan maar het is er verandert..

Een stilte volgt..

Abe: Het prachtige paradijs aan de voet van de duinen waar ik speelde als kind is

verdwenen..

Ooit leefden er vogels, vlinders, bijen, insecten, planten, bloemen en kruiden in allerlei

verschillende kleuren, soorten en maten. Dat is nu weg. Er is een industrieterrein voor in de

plaats gekomen.

Rosa: Wat erg....

Dikke tranen rollen over de wangen van Abe. Ik zie dat ook Bea tranen in haar ogen heeft

gekregen.

Bea: Abe heeft mij het paradijs uit zijn jeugd laten zien. Het was er zo prachtig...

Maar plotseling verdween het en waren we omringt door hoge schoorstenen met donkere

rookpluimen. De schok was groot..

Abe: Vanaf een duintop zagen we heel in de verte een zee liggen. Bea: Dat moet de zee zijn

waar jij vandaan komt Rosa.

Abe: De volgende ochtend zijn we in die richting verder getrokken. We hebben de paarden

gevolgd tot we op deze jungle stuitte en de aap ons kwam waarschuwen dat je er iemand in nood was.

Bea: Laten we de kwikstaart maar volgen. Ga je mee Rosa?

Rosa helpt me om op te staan maar mijn benen zijn nog te zwak om op te lopen. Bea en Abe helpen me om op het paard te komen. Het aapje springt ook achterop. We verlaten de plek waar Bea en Abe mij hebben gevonden en volgen de kwikstaart.

Abe: Een kwikstaart in de jungle, dat is een apart gezicht! Kwikstaarten zijn nou niet bepaald

tropische vogels. Ik hoop dat hij het uithoudt in deze hitte.

Op dat moment horen we een knerpend geluid

Abe: Dat is er wel eentje? Een tropische vogel! Dat hoor je zo!

Dan vliegt er een vogel met een grote prachtig gekleurde snavel over ons heen en na een

paar rondjes om ons heen te hebben gevlogen strijkt hij achter mij neer op de billen van

Caruleum, het paard. Het is een toekan.

Toekan: Laat me eens even naar je snavel kijken? Oh ik zie het al, jij kan je hitte niet kwijt, je neus is veel te klein!

Ik begrijp niet precies wat de toekan daarmee bedoelt maar Abe weet mij uit te leggen dat de snavel van een toekan een bijzondere functie heeft. De grote snavel werkt als een soort

koelsysteem. Zo kan een toekan via zijn snavel snel overtollige lichaamswarmte kwijtraken.

Rosa: maar ik heb het ineens zo koud..

Abe: Het is de tropische variant van de Spechtvogels

Bea: Ik herinner mij die vogel. Hij staat in contact met de spirituele wereld. Zijn boodschap

luidt:

“Laat je stem horen want hebt de wereld iets waardevols te vertellen. Durf anders, spannend en brutaal te zijn. Hij zal meer kleur toevoegen aan alle aspecten van je leven”

Na een paar uur de kwikstaart te hebben gevolgd naderen we een open plek in het bos waar de rest van de paarden uit de brief op ons staan te wachten. Om mij te redden hebben Abe en Bea de kudde paarden grotendeels achter moeten laten vanwege de dichte begroeiing. De paarden zijn hiernaartoe gekomen om ons weer op te wachten en verder te leiden door het land van Lincei. Het is inmiddels bijna donker en we zijn allemaal doodmoe.

Bea: Dit lijkt me een geschikte plek om de nacht door te brengen.

Abe: De fazant is op en ik barst alweer van de honger.

Bea: Het is nu donker en te laat om nog op zoek te gaan naar eten. We zullen het even met de bessen moeten doen. Beschutting en slaapplekken creëren is nu het belangrijkste vooral voor Rosa. De koorts wil maar niet zakken en slapen is op dit moment voor haar het enige medicijn. De grond is te vochtig om op te slapen. Daar moeten we iets op verzinnen.

Abe: We moeten ook een afdak maken tegen die verdomde regen. De rimpels staan in mijn vingers van die verdomde regenbuien.

Bea: Een afdak is inderdaad noodzakelijk maar aan dat gemopper hebben we niks. Steek die energie maar in het bedenken van oplossingen.

Abe: jaja..

Abe herpakt zich en loopt nog een beetje na mompelend op een bananenplant af en

inspecteert de bladeren. Bea helpt me van het paard maar ik ben te verzwakt om nog wat te zeggen. Ik herinner mij alleen nog maar wat flarden van het laatste etappe van de reis. Bea heeft mij goed verzorgt en heeft me af en toe laten drinken uit kokosnoten en lianen. Ik zie nog vaag de bezorgde blik van het aapje nog voor me die tijdens de rit naast me was komen om de natte lap op mijn hoofd te houden. Ik ben goede handen maar nu kan ik alleen nog maar slapen. Ik zak weg in een diepe slaap en ik droom.

Bij het wakker worden vraag ik mij weer af waar ik ben. Waar ben ik? Ik hang in een soort

paarse doek. Mijn droom staat me nog helder voor de geest. Ik droomde over de vrije val in

het oog van Lincei. Ik duizel nog na. Dan ruik ik een zoete amandelgeur en hoor ik een

vuurtje knetteren. Dan zie ik Bea en begint mij weer het een en ander te dagen.. Ik ben

Rosa..Bea is iets aan het roosteren boven het vuur. Geen amandelen maar een soort paddenstoelen. Het ruikt lekker.

Zo te zien zit mijn voet nog steeds vast aan het lange touw maar de pijn en vermoeidheid die ik gister voelde is weg. Dan zie ik boven mij op een tak het aapje zitten.

Rosa: Hoe lang zit je me daar al aan te gapen?

Het aapje springt vrolijk heen en weer

Bea: Hey slaapkop, ben je er weer? Rosa: Goedemorgen Bea

Bea: Goedemorgen? Goedenavond zal je bedoelen. Over een uurtje wordt het alweer

donker.

Rosa: Heb ik dan de hele dag geslapen?

Bea: Aan de zon te zien bijna twee keer het klokje rond. We hebben ons ernstige zorgen

over je gemaakt en het aapje heeft dag en nacht over je gewaakt.

Dan hoor ik in de verte iemand vrolijk fluiten. Het is Abe, de dwerg die in opperbeste

stemming aan komt huppelen. Af en toe bukt hij om iets op te rapen. Hij houdt een gevulde zak omhoog.

Bea: Hij heeft er nog veel meer van gevonden zo te zien. Amandelpaddenstoelen (Agaricus

Subrufescens)

Abe pakt er een uit de zak en laat hem aan mij zien.

Abe: Kijk eens aan. Hier hebben we het tropische neefje van onze welbekende vriend: de

champignon.

Bea: Deze bezitten bovendien medicinale eigenschappen. Deze champignon behoort tot de krachtigste immuunsysteem-stimulerende paddenstoelen.

Abe: In Japan, China en Brazilië is deze paddenstoel dan ook officieel geregistreerd ter

behandeling van kanker.

Bea: Japan? China? Waar is dat?

Abe: Dat zijn landen op planeet aarde maar hoe je er komt en hoe ver we er vanaf

verwijderd zijn weet ik eigenlijk niet.

Abe krabt zichzelf bedenkelijk achter de oren.

Abe: Ik heb eigenlijke geen flauw idee...

Rosa: Bevinden we ons überhaupt wel op planeet Aarde? Komen we daar dan vandaan?

Abe: ja daar komen we vandaan!

Bea: Moeder Aarde...ja daar leven wij. Dat is ons thuis. Maar Abe, wat zijn landen?

Abe: De mensen hebben bezit genomen van de planeet en het oppervlak in stukken

gesneden en onderling verdeeld. Een zo’n stuk noemt men: Een land Bea: Is dat een grap? Hoe kunnen wij de aarde nou bezitten? Wat een vreemde gedachte. De aarde bezit ons zal je bedoelen!

Weer krabt Abe zichzelf vertwijfeld achter de oren..

Abe: Daar zeg je me wat.

Rosa: maar waar bevinden we ons nu dan? Op planeet Aarde?

Bea: In het land van Lincei...maar of dat ook een land is op planeet Aarde weet ik eerlijk

gezegd niet.

Abe: Het verloren land uit mijn jeugd bevind zich op planeet Aarde dat weet ik wel...alleen

dat is heel lang geleden. En hoe zat het ook alweer met tijd en ruimte?

Abe zijn dwergenhoofd draait nu op volle toeren en hij ziet er inmiddels uit als een

verstrooide professor met zijn wilde krullenbos.

Ook in mijn hoofd duizelt het van de vele onbeantwoorde vragen inclusief de vraag hoe ik

de kist ooit open krijg en weer toegang krijg tot wat mijn hart mij wil vertellen.

Tijdens het eten van de geroosterde paddenstoelen deel ik mijn verhaal over de kist met Bea en Abe en komen we tot de conclusie dat er niks anders op zit dan weer terug te gaan naar de plek aan zee waar ik vandaan ben gekomen om met

behulp van Bea en Abe de kist alsnog open te krijgen. Ik heb er een hard hoofd in.

Abe staat op om nog wat paddenstoelen te zoeken. Bea en ik praten nog wat na totdat we

plotseling worden opgeschrikt door een oorverdovende knal, een soort explosie. Meteen zien we een grote stofwolk opstijgen in de vorm van een paddenstoel. We springen op en snellen ernaartoe om te zien of alles goed is met Abe niet wetende dat we regelrecht de giftige sporen van de gele Aardappelbovist opsnuiven. We treffen Abe languit op de grond in een soort gele smurrie. Hij kijkt ernstig verward maar weet ons nog net te vertellen dat hij op een grote gele paddenstoel was gaan zitten toen deze onverwachts ontplofte. Kort daarna begint alles om ons heen te draaien en moeten Bea en ik er ook bij gaan zitten. Voordat we in trance raken verteld Bea mij nog iets over de symbiose van de zojuist ontplofte Gele Aardappel bovist.

Bea: De zwam waar Abe op was gaan zitten leeft samen met deze grote boom. Zowel de

zwam als de boom profiteert van hun symbiose. De zwam haalt mineralen uit de bodem en staat die af aan de boom en in ruil daarvan krijgt hij er suikers van de boom voor terug.

Rosa: Dat klinkt heel romantisch maar zo te zien is hun huwelijk nu ontploft.

Bea: Er bestaan verschillende vormen van symbiose..

Op dat moment voelde ik dat de grond onder me begon te bewegen alsof hij vloeibaar werd. ik werd zo draaierig dat ik niet meer in staat was om nog langer naar Bea te luisteren. Het voelde alsof al het leven om me heen begon te verdwijnen, alsof al het kleurrijke bruisende leven uit de jungle gezogen werd steeds sneller en sneller totdat ik niets meer kon zien en er een doodse stilte volgde.

Toen ik mijn ogen opende zag ik duizenden palmbomen, allemaal precies dezelfde bomen

keurig naast elkaar in lange rijen. Waren dit wel echte bomen? Ik liep op een boom af en

voelde aan de stam om te voelen of ze misschien van plastic waren. Het was een echte

boom maar er was iets goed mis. Ik liep van boom naar boom en zag dat de rijen zich tot inde oneindigheid leken uit te strekken in welke richting ik ook keek. Ik voelde dat ik in paniek raakte en begon te rennen in de hoop ergens een teken van leven te ontdekken of op zijn minst een onderbreking in deze eindeloze monotonie. Er heerste een doodse stilte.

Alles voelde strak en doods. Geen geluid, geen zuchtje wind, zelfs geen wolkje aan de lucht

te ontdekken. Zag ik maar een wolkje aan de lucht. Alles beter dan deze naargeestige

regelmaat verstoken van elke vorm van leven. Wat een hel! Waar is iedereen? Help mij!

Tot mijn grote blijdschap verschijnt uit het niets de witte kwikstaart om mij de weg te wijzen en te verenigen met de anderen.

Het aapje lijkt ook opgelucht om mij weer te zien en springt vrolijk op mijn schouder.

Rosa: Waar zijn we nu toch beland?

Bea: We hebben zojuist in de verte een lynx voorbij zien komen. Het moet Lincei geweest

zijn.

Abe: Misschien halen we hem nog in als we vlug zijn.

We lopen in de richting van de plek waar Bea en Abe de lynx hebben gezien. Midden op het

pad zien we iets liggen. Het is weer zo’n mooi versierde koker. Abe pakt hem van de grond

en tovert er een brief uit tevoorschijn.

Abe leest de brief van Lincei voor:

Dit is en palmolieplantage. Palmolie is de meest geconsumeerde plantaardige olie op de

planeet Aarde, en wordt aangetroffen in veel verpakte producten die in de supermarkt

worden verkocht. Hoewel palmolie de meest efficiënte bron van plantaardige olie is, bedreigt de snelle uitbreiding ervan de habitats van verschillende soorten dieren zoals de Orang-oetang. Het spijt me dan ook jullie te moeten mededelen dat jullie vriend Coco, momenteel met uitsterven wordt bedreigd. Palmolie vervangen door oliën zoals kokosolie, sojaolie of zonnebloemolie, lost de problemen van ontbossing en natuurverlies niet op. Deze planten hebben namelijk ook een plek nodig om te groeien én leveren zelfs minder olie per hectare dan de oliepalmvrucht. De mens zal met oplossingen moeten komen anders zal de Orang-oetang voorgoed uitsterven.

Rosa: Daar moet ik toch niet aan denken.

Dan horen we een harde knal en zien we tussen de bomen een man wijdbeens op het pas

staan. Hij heeft een geweer vast en houdt ons onder schot. Voordat we ons ook maar uit de voeten kunnen maken, lost hij een schot. “Pang”

Abe: Dat is Donkers! Ren voor je leven!

Tijdens de vlucht verlies ik de schelp die ik al die tijd in het voorvakje van mijn broek heb

bewaard. Coco rent terug om hem voor me te pakken maar dan klinkt er weer een schot

“Pang” Ik kijk nog achterom maar zie dat de plantage is verdwenen. We zijn weer in de

jungle terug op de open plek waar we hebben overnacht. Abe zit nog steeds helemaal onder de gele smurrie van de Aardappel Bovist. Voor me ligt de schelp.

Rosa: Coco! Waar is Coco?

Als ik achter me kijk zie ik Bea over iets heen leunend in het gras. Als ik dichterbij kom zie ik dat het Coco is die daar ligt. Bea aait hem over zijn lijfje en kijkt me verdrietig aan en een

dikke traan rolt over haar wang. Coco is dood....

Er volgt een periode van diep verdriet en rouw. Coco was mijn steun en toeverlaat. Zonder

hem had ik de jungle nooit durven te betreden en had ik Bea en Abe nooit ontmoet. Hij gaf

me moed en de kracht om door te zetten. Hoe moet ik nou verder zonder hem?

Na het lijfje in een paarse doek te hebben gewikkeld begraven we hem op een mooi plekje

onder een boom. We versieren het grafje met de mooiste steentjes, bladeren en bloemetjes die we maar kunnen vinden. Tijdens het ritueel strijkt er uit het niets een roodborstje neer op mijn schouder.

Bea: Roodborstjes staan symbool voor hoop en liefde. Ze heeft een boodschap voor je Rosa, van Coco....

 
 
 

2e schrijver route G: Henk Alders

personage Abe
personage Abe

Langzaam ontwaak ik uit een diepe en verwarrende droom.

Ik wandelde door een prachtig woest landschap en stond plotseling oog in oog met een

katachtig dier met lange puntige oren. Een Lynx.

Het beest keek mij vriendelijk maar indringend aan. Het leek mij uit te dagen om samen op

avontuur te gaan. Van avonturen hou ik wel, maar dit is wel een vreemde metgezel.

Weer keek de lynx me doordringend en ook aanmoedigend aan. “Toe maar”, leek het te

willen zeggen. Maar wat dan... Plotseling werd ik met hoge snelheid een kleurrijke draaikolk

ingezogen.

Voorzichtig opende ik mij ogen. Waar ben ik?

Boven mij een groen dak, ondersteund door een dikke rode stam. Uitlopers van de stam

doorkliefden als aders het dak. Dan besef ik dat ik onder een gigantisch rabarberblad lig.

Maar dat kan toch niet; daarvoor ben ik veel te groot. Wat is er met mij gebeurd? Ik moet

opeens heel klein zijn geworden.

Steunend op een arm kijk ik langzaam om mij heen. Links van mij liggen in een klein kuiltje

3 gespikkelde eitjes. Het kuiltje is bekleed met kunstig door elkaar heen geweven stengeltjes en kleine blaadjes. Een zacht bedje.

Een vaag gevoel van herkenning. Beelden uit een vorig leven komen in mij op.

Achter mij klinkt een zenuwachtig gepiep. Ik draai mij zover mogelijk naar achteren en zie

dan de witte kwikstaart die niet gediend is van mijn bezoek. Zijn lange staart gaat

zenuwachtig op en neer.

Rustig maar, ik ga al weg. Althans als ik overeind kan komen uit mijn benarde positie. Maar

dat gaat verrassend makkelijk. Lenig kruip ik onder het bladerdak vandaan. Als ik opsta zie ik dat ik kleine dunne beentjes heb met relatief grote blote voeten.

Wat is er toch met mij gebeurd en waar ben ik?

Ik sta op een smal zandpaadje. Aan ene kant een groot rabarberveld. Aan de andere kant een slootje met helder water. Ik zie mijn gestalte in het water en schrik enorm.

Ben ik dat? Een klein mannetje met een dik rond hoofdje, punt- oortjes en een warrige krullenbol. Wat is er toch met mij aan de hand?

Weer bekruipt mij het vage gevoel dat ik deze omgeving ken.Voor mij op het zandpaadje dribbelt het witte kwikstaartje druk heen en weer. “Volg mij maar”, lijkt het te willen zeggen. Het beestje loopt met parmantige stapjes en een steeds opwippende staart voor mij uit. Aan het einde van het pad zie ik een klein schuurtje. Aan een kant hoog opgestapelde houten kisten.

Er komt een man uit het schuurtje. Maar... dat is mijn vader. Ben je daar eindelijk jongen. Ik

wil je iets moois laten zien. Hij tilt mij hoog op naar de bovenste rand van de kisten. Door

een kiertje zie een klein nestje met 4 piepkleine, net uit het ei gekomen, vogeltjes. Kan je het zien jongen, een nestje van de geelgors.

Dat vogeltje ken ik wel, prachtig geel met bruin gestreepte vleugeltjes. Overal rond de tuin

van mijn vader hoor je hun karakteristieke gezang. Het geluid dat Beethoven inspireerde

voor het begin van zijn vijfde symfonie: Tatatataaaaaa--- tatatataaaaa

Dan sta ik opeens weer op de grond, helemaal alleen. Wat gebeurt er toch met mij? Waar is mijn vader? Droom ik dit alles?

Langzaam komen herinneringen in mij op en verschijnen beelden op mijn netvlies van een

ander bijna 80-jarig leven. Ik ken dit gebied omdat ik hier als kind vaak kwam.

Maar dit land bestaat al lang niet meer. Ik heb gezien hoe het in mijn leven als mens in 50

jaar is opgeslokt door de industrie, staalfabrieken die veelkleurige rookpluimen uitstorten die de natuur hebben verdrongen en de mensen in de omgeving ziek maakten.

Opeens besef ik dat ik door de lynx in een andere gedaante ben teruggezet in de tijd.

Maar waarom?

Ik loop naar het toegangspad van de tuin en schrik dan plotseling van naderende geluiden.

Paardenhoeven klinken in de verte. Komt daar het jachtgezelschap van de jonkheer aan? de man van wie mijn vader het land pacht. Maar ik hoor geen geschreeuw en ook niet het

geluid van stokken die tegen bomen worden geslagen. Er komen geen drijvers aan die het

wild opjagen. In de verte zie ik een groep paarden die rustig aan komen lopen. Op een ervan zit een klein meisje dat vrolijk naar mij zwaait. Als ik nieuwsgierig dichterbij kom roept ze: “Hallo” Ik ben Bea, wie ben jij?

Abe: Ja wie ben ik? In verwarring stamel ik dat ik dat eigenlijk niet weet.

Ik vertel van de droom en de lynx en de kleurrijke draaikolk en alles wat er daarna met mij is gebeurd. Ik herinner mij vaag dat ik als oude man naar bed ging in een andere wereld.

In het spiegelende water heb ik gezien dat ik nu op een dwerg lijk met spillebeentjes en grote voeten en een groot hoofd met veel warrig haar.

Bea: Je bent in het land van Lincei.

Je ben, op uitnodiging van de lynx, het avontuur aangegaan om de mensen zich meer te

laten beseffen dat ze onlosmakelijk verbonden zijn met de natuur en de plicht hebben om

die natuur te beschermen, zodat ze zelf niet ten onder gaan In dit avontuur mag je zelf een

naam uitkiezen. Uit deze zak mag je 7 letters halen en daarvan een naam samenstellen die

past bij jou. Q E A B R MK O

Abe: Ik zie onmiddellijk de naam ABE tevoorschijn komen. Dat is de naam die bij past in

mijn nieuwe gestalte tijdens deze queeste. Abe staat voor edel erfgoed. Zo zou je de aarde

kunnen zien. De mensen op deze planeet hebben de plicht om dit erfhoed te beschermen en in goede staat door te geven aan volgende generaties. Deze naam lijkt mij goed te passen bij de missie waarvoor wij door de Lynx zijn uitgenodigd.

ABE is dus mijn naam

Bea: Dat is inderdaad een heel toepasselijke naam zegt Bea. Je ziet er trouwens uit als een

soort orakel, heel grappig met die grote voeten en dat grote hoofd.

Abe: Waar kom jij eigenlijk vandaan Bea. Het lijkt of je zo uit de woestijn komt met die

leuke woestijnschoenen aan. Dat is hier duizenden kilometers vandaan.

Bea: Ja dat klopt. Gisteren, toen mijn avontuur begon, werd ik wakker in een woestijn met

hoge bergen in de verte. Daar heb ik mijn eerste avontuur beleefd en de paarden ontmoet

met informatie over deze queeste.

Maar vanochtend werd ik opeens wakker op een open plek in een bos, hier niet ver vandaan. Maar wij moeten nu verder op onze tocht. Sluit je bij ons aan?

Abe: Dat doe ik graag zegt Abe. Ik wil jou uitnodigen voor een tocht door dit mooie land. Ik

ben hier in mijn jeugd als mens opgegroeid. Ik noem dit het verloren land uit mijn jeugd.

Abe: Omdat we door de lynx zijn teruggezet in de tijd krijgen we de kans om te zien hoe de

natuur hier lang geleden was en hoe de mensen daar toen mee omgingen. Ik kan je laten

zien wat er allemaal verloren is gegaan. Gelukkig zijn er ook positieve ontwikkelingen

sindsdien waar we hoop uit moeten putten. Daar vertel ik later over.

Lang niet alles was beter in het verleden. De meeste mensen waren zich niet echt bewust van de schoonheid van hun natuurlijke omgeving en van de waarde ervan. De diversiteit werd als vanzelfsprekend beschouwd In die situatie was van natuurbescherming dan ook geen sprake. Ook toen waren natuurwaarden vaak ondergeschikt aan andere belangen

Graag neem ik je mee naar een prachtig gebied aan de voet van de duinen, waar ik soms

stiekem naar toe ging. Dat mocht eigenlijk niet van mijn vader. Maar voor mij en mijn

broertje was dat een paradijs vanwege de talloze vogelsoorten die er nestelden. Wij hadden

niet alleen interesse in die vogels en hun zang, maar ook in de eieren die we daar konden

vinden voor onze natuurverzameling van schelpen, stenen, vlinders en .... vogeleieren. Zo

ging dat toen. We groeiden op met de natuur om ons heen, maar hadden geen benul van de schade die we aanbrachten Er was immers een overvloed, zo dachten we. Het kon dus geen kwaad. Van natuurbescherming hadden we nog nooit gehoord.

Bea: Waarom mochten jullie daar niet naar toe van je vader? Wilde hij niet dat jullie eieren

verzamelden?

Abe: Nee hoor, daar zei hij niets van. We zaten nog op de lagere school, het was ver lopen

en de tocht was niet ongevaarlijk. Er waren al eens problemen geweest.

Bea: Oh, vertel daar eens over.

Abe: Om ons paradijs te bereiken moesten we eerst door een donker en een beetje eng bos. Maar het grootste gevaar was boswachter DONKERS die daar heerste. Voor hem waren we echt bang. Hij woonde alleen in een klein huisje aan het zandpad waar wij overheen moesten. Hij had waarschijnlijk een hekel aan kinderen. Altijd liep hij rond met een geweer over zijn schouder. Toen hij ons een keer betrapte schoot hij met hagel in de lucht om ons flink te laten schrikken, zodat we nooit meer terug zouden komen.

Bea: Maar boswachters lopen toch niet de hele dag met een geweer. En waarom wilde hij

jullie laten schrikken. Je liep toch gewoon over het pad.

Abe: Om dat te kunnen begrijpen moet je weten dat de gebieden aan de binnenrand van de duinen tussen Zandvoort en Bergen al decennialang in bezit waren van Jonkheren en andere eigenaren met een adellijke achtergrond. Bekend waren onder meer de families Boreel, Six, van Tuyl en Gevers. Het gebied waar wij als kind veel kwamen en waar mijn vader stukken grond pachtte, was van Jonkheer Boreel. Deze eigenaren namen mensen in dienst om hun gebied te beheren en te bewaken. Het waren eigenlijk geen boswachters zoals die in de huidige tijd bijdragen aan natuurbeheer, maar jachtopzieners. Hun enige taak was om te zorgen dat er zoveel mogelijk fazanten, patrijzen, houtsnippen en konijnen in zijn domein leefden. Er werden daarvoor ook jonge fazanten uitgezet, die op boerderijen werden geteeld. Kinderen in het bos konden nesten van die vogels verstoren en moesten daarom worden geweerd. Vaak waren ze in de nacht actief om stropers, die er toen vanwege de armoede veel waren, op heterdaad te betrappen en in te rekenen. Vallen werden gezet om wezels, bunzings en ook wilde katten te vangen Die zijn gek op de eieren en jonge vogels van de bodembroeders. Vossen waren een ander doelwit. Ook werden nesten van andere eieren rovers als kraaien, Vlaamse gaaien en eksters doorschoten, zodat die zich niet konden uitbreiden. Roofvogels werden beschoten of vergiftigd en kwamen nog nauwelijks voor in dit gebied. Met al die activiteiten waren ze druk. Niet met het beschermen van de natuur.

In het gebied waar wij als kind veel kwamen waren twee jachtopzieners aangesteld.

De eerste, Scheffer was zijn naam was verantwoordelijk voor het gedeelte waar mijn vader

een tuin pachtte van de landheer. Mijn vader kon goed met hem opschieten en voor mij en

mijn broer was hij ook wel aardig. Hoewel hij het eigenlijk vervelend vond dat wij door zij

territorium scharrelden, profiteerde hij er ook van. Hij vroeg vaak aan ons of we nog nesten

van fazanten hadden gezien op onze tochten door het bos. Die vonden we inderdaad

regelmatig om dat we als kleine kinderen makkelijk door dichte bossages konden sluipen.

Als wij hem dan daar naartoe brachten kregen we een stuiver. Ook wilde hij weten of we

nesten van Vlaamse gaaien en andere eieren rovers hadden gezien.

Het was maar goed dat hij niet wist dat mijn vader eigenlijk een grote stroper was. Tussen de rijen wortels, rabarber en andere planten zette hij strikken en klemmen. Fazant en konijn stonden dan ook regelmatig op het menu in ons gezin. Regelmatig moest ik voor het naar school gaan kijken of we iets gevangen hadden. Dat was een onderdeel van onze band met de natuur.

De tweede, met de naam Donders, heerst over het gebied met veel dicht en donker bos. Dat gebied lag tussen de landjes van de tuinders en ons paradijs, waar hij niets te vertellen had! Hij liet zich zelden zien in de buurt van de tuintjes. Mijn vader en ik kenden hem dan ook nauwelijks. Zijn reputatie was wel bekend; Altijd een geweer bij zich en bijna elke nacht op pad om stropers te betrappen. En, zoals ik al vertelde, van kinderen hield hij niet.

Bea: Maar Abe, wat was de reden voor dit alles?

Abe: Dit bizarre beheer van zijn domeinen had alleen als doel om te verzekeren dat de

jachtpartijen van de jonkheer en zijn vrienden uit hoge kringen, succesvol waren. Een

eeuwenoude traditie van plezier jagen. Ik heb als mensenkind helaas een keer gezien hoe

dat er toeging. Ze waren nietsontziend en het is zelfs voorgekomen dat ze in hun jachtlust de gewassen van mijn vader vertrapten.

Daarom schrok ik in eerste instantie ook zo toen ik jou en de paarden hoorde aankomen.

Bea: Dat waren dus ook al barre tijden voor de natuur. Dat wist ik helemaal niet. Ik snap nu

wel dat jullie bang waren om door zijn gebied te trekken. Als je dat dan toch soms deed, dan moet dat paradijs wel heel bijzonder zijn

Abe: Zeker Bea.

Er waren in die tijd gelukkig ook veel natuurlijke gebieden die niet onder dit soort beheer

stonden. De industrialisatie was nog beperkt en de landbouw was veelal nog kleinschalig.

Die gebieden waren toen nog rijk aan veelsoortige planten, vogels en insecten. Ons paradijs

was zo’n gebied. Donders had daar gelukkig niets te vertellen He was een vrij gebied waar

de natuur toen nog ongestoord haar gang kon gaan. Kruidenrijke (wei)landen en

moerasachtige stroken met grote natuurwaarden.

Omdat we door de Lynx zijn teruggezet in de tijd, heb je de kans om mijn paradijs met eigen ogen te zien. Ik denk trouwens dat Donders nog in bed ligt. Aan de stand van de zon te zien is de ochtend nog niet voorbij. Dan slaapt hij meestal nog uit vanwege zijn nachtelijke tochten. Durf je met mij mee te gaan?

Bea: Ik popel om jouw paradijs te zien Abe en ben voor die Donders echt niet bang.

Klim op een paard en wijs de weg. Daar gaan we.

We volgen het slingerende zandpad door donkere bossen. Op veel plekken scharrelen

felgekleurde fazanten langs de kant. Ze lijken niet echt bang voor ons het huis van Donders

staat er verlaten bij en hij laat zich gelukkig ook niet zien. Na een rustige tocht wordt het pad langzaam breder en zien we in de verte een opeens een lichtstreep opdoemen.

Niet veel later eindigt het pad in een weidse bloemenvlakte, fel verlicht door de middagzon.

In de verte doemen de eerste duinen op. Daar is eindelijk het paradijs

Uitgelaten rennen de paarden de vlakte op en rollen door de geurige weide. Overal zoemen

bijen en andere insecten. Vlinders fladderen om ons heen. De zoete geur van de bloemen en kruiden is overweldigend. Hoog in de lucht zingen veldleeuweriken zonder ophouden hun heerlijke lied. Een grote vogel met een kromme, naar beneden gebogen snavel vliegt op uit het gras en laat zijn jodelende roep horen Een wulp. Niet veel later zien wij

zijn 3 prachtige groene zwart gespikkelde eieren liggen in een spaarzaam bekleed kuiltje

Links van ons vliegen eenden boven een moerasachtig gebied. Een watersnip verschuilt zich haastig in een rietbosje. Aan de rand van het moeras blijft een wilde eend rustig op haar nest zitten. Wat verder in riet moeras prikken twee steltkluten in de bodem, op zoek naar voedsel. In de verte laten tureluurs van zich horen.

Bea laat zich nu in het gras vallen en kijkt ongelovig om zich heen Dit is inderdaad een

paradijs. Dit heb ik nog nooit gezien. Wat een rijkdom. Ze ademt de geurende lucht diep in

zich op.Mijn dwergenhart vult zich met weemoed. Ik weet dat dit alles eigenlijk een droom is die ons heeft teruggebracht naar de tijd van mijn jeugd als mensenkind.

Plots staan de paarden doodstil. Opeens is daar de lynx. Hij kijkt ons recht in de ogen en in

een flits worden we weer opgenomen in een kleurrijke werveling. Plotseling is alles anders. De paarden zijn verdwenen en Bea en ik staan op de restanten van een oud pad dat deels is overwoekerd met gras en brandnetels. Voor ons staan hoge hekken met daarboven prikkeldraad Achter die hekken grote loodsen en monsterachtige machines met pijpen die hoog de lucht in gaan en veelkleurige rookwalmen uitblazen. Bea grijpt mij verward en angstig bij mijn arm. Bea: Wat is er met ons gebeurd, waar zijn we nu opeens?

Als ik mij omdraai zie ik dat het pad in de verte langs een oude woning loopt en op een

grotere weg uitkomt waar auto’s rijden. Ik ken die woning en weet direct waar we zijn. Die

woning stond aan de uitgang van het paradijs en staat er na al die jaren nog steeds. Door het zien we hoe het paradijs zelf sinds mijn jeugd als mensenkind is getransformeerd in een enorm industrieterrein. Als we langs het hek lopen verschijnt uit het niets weer de lynx. We moeten verder met ons avontuur, lijkt het dier te willen zeggen. Het heeft geen zin om hier te staan treuren. En weer worden we meegezogen in die veelkleurige wervelwind.

Opeens staan we op een duintop. Ook de paarden zijn er weer. Overal om ons heen hebben we zicht op talloze fabrieken, hoge schoorstenen met veelkleurige rookpluimen en

windmolens. Als we ons omdraaien kijken we uit over de zee. Het begint intussen al te

schemeren. We hebben honger en moeten een slaapplaats zoeken. De paarden zijn ondertussen afgedaald naar een duindal dat omgeven is door wilgenbosjes. Dat lijkt ook voor ons een goede plek om te overnachten. Nadat we hebben gegeten van de proviand uit een van de zadeltassen die de paarden dragen, zie ik dat Bea tranen in haar ogen heeft.

De plotselinge confronterende overgang tussen mijn Paradijs uit de jaren 50 en het heden is erg groot en heftig. Ik ben in mijn mensenleven daarin langzaam meegegroeid. Maar ook bij mij doet het toch weer pijn. Bea, die veel jonger is, is geschokt door de grote tegenstelling.

Bea: Wat moet er worden van de wereld? De mensen vervreemden van de natuur en van

elkaar. Er blijft niets van over van de natuur en de mensheid als deze ontwikkelingen zo doorgaan. Voor het slapen gaan praten we hier nog over door. Bea is erg somber.

Ik probeer haar enigszins gerust te stellen. Honderden jaren is de natuur nauwelijks door menselijk handelen bedreigd en in grote verscheidenheid aanwezig geweest. Die overvloed en diversiteit werden als vanzelfsprekend beschouwd. Natuurbescherming was dan ook niet aan de orde. De sterke industrialisatie en schaalvergroting in de landbouw hebben in een relatief korte periode plaatsgevonden. Helaas blijkt steeds weer dat de mensheid niet in staat is om vroegtijdig en effectief te reageren op ontwikkelingen die op termijn de kwaliteit van zijn bestaan bedreigen.Toch zie ik veel positieve signalen en initiatieven.

Steeds meer mensen zijn er van doordrongen dat het roer drastisch om moet om verdere

opwarming van de aarde tegen te gaan. “Natuurbeheer” ten behoeve van de plezierjacht is veelal vervangen door natuurbescherming- en ontwikkeling. Biologische landbouw zit in de lift. Initiatieven als “Herenboeren” en "Land van ons” winnen aan populariteit. De opwarming van de aarde, de uitstoot van stikstof en de energietransitie staan op veel politieke agenda’s. Deze thema’s leiden echter nog wel voortdurend tot hevige discussies.

Voordat er een wereldwijde effectieve aanpak zal plaatsvinden moet er eerst een proces

worden doorlopen. Een lang proces van ontkenning van de problemen, van discussies over

de aard, de oorzaken en de ernst ervan, van het voorrang geven aan economische belangen en van uitstelgedrag etc.. Het oude spreekwoord “als het kalf verdronken is dan dempt men de put” is dan ook nog steeds van toepassing. Misschien moeten er eerst nog (veel) meer ernstige milieu gerelateerde rampen plaatsvinden. Uiteindelijk zal de mensheid daadkracht tonen teneinde de opwarming van de aarde te keren en de kwaliteit van ons natuurlijke leefmilieu te verbeteren. Dan zal ook de enorme veerkracht en herstelvermogen van de natuur blijken.

Abe: “Houd moed Bea”

Het is intussen donker. Een bleke maan werpt een vaag licht op onze overnachtingsplek. In

de verte klinkt de lokroep van een bosuil.

Tijd om te gaan slapen.


 
 
 

© 2023 by Orde & Chaos 

bottom of page