top of page

5e schrijver: Margriet van Toledo

Jack



De groep waar Zaga al die tijd op gewacht heeft is compleet en in het dorp. Ze is trots op haar mede-bewoners van Lincei. De paarden hebben de nieuwe gasten een warm welkom geheten en op hun gemakt gesteld. Zig heeft ze wijsheid en vertrouwen gebracht. En Okami, haar lieve Okami, heeft gedaan waar hij het beste in is: de weg wijzen door het onbekende. Ze voelde eerder op de dag al dat Bea niet de enige nieuwe gast zou zijn. Ze voelde dat het Oog nog actief was en zag achter haar oogleden de lynx nog lopen. De komst van Joji verbaasde haar dus niet. Wat haar wel verbaast, is dat ze nog steeds de lynx ziet lopen. Nog een bezoeker? Na al die tijd stilte? Het lijkt haar onwaarschijnlijk. Wat is het plan van de lynx?


Zaga gebaart naar de groep dat het eerst tijd is om te rusten. Ze loopt een stukje buiten de groep naar een hoge rots. Ze gaat in kleermakerszit zitten en sluit haar ogen. Ze gaat op zoek naar de Lynx.


Terwijl Zaga zich heeft teruggetrokken op de rots, heeft Zig de nacht opgezocht. De nacht brengt hem zijn jeugd, zijn kracht en de wijsheid om door te gaan op het pad van de lynx. Joji en Bea hebben samen het kampvuur opgezocht. Ze voelen zich verbonden als de twee nieuwste wezens van Lincei. In hun verwondering, maar ook in hun gevoel van vrijheid en thuis-zijn.


Joji: Het is bevrijdend om niet te weten wie je bent. Ik weet niet wie ik was maar ik voel wel wát ik was: ik was bang. Toen ik hier net uit de grond kwam voelde ik dat ik bevrijd was van iets.

Joji zucht en staart een tijdje in het vuur in het vuur voor ze vervolgt: Maar ik las de brief en voelde het weer… de angst en het onbegrip.


Bea: Ja… dat had ik ook. Ik besefte net dat ik hier ben gekomen op een moment dat ik het niet meer zag zitten. Die machteloosheid... Zouden we dat allemaal gemeen hebben, die machteloosheid? Degenen die hier zijn.


Joji: Maar wat hebben we er dan aan nu? Ik zag alleen in een flits de donkerte waar ik vandaan kom. Ik snap niet waar we dan nu heen moeten. Wat doen we hier?


Een stuk hoger dan het kamp en het kampvuur waar Bea en Joji zitten, aanschouwt Zaga met haar ogen dicht wat er gaande is. Ze begint de lynx te begrijpen. Ze ziet de verwarring bij Bea en Joji. Ja, de groep is er. Maar de groep is er nog niet klaar voor. De lynx is nog aan het werk, op zoek naar de missende sleutel om de groep tot het krachtenveld te maken die nodig is om de taak uit te voeren.


---


De volgende ochtend wekt Zig, weer jong, fit en aanwezig, de reizigers. Ze verzamelen zich in een cirkel.


Zig: Ik heb met Zaga gesproken. We gaan jullie vertellen wat wij weten van jullie tijd op aarde en waarom jullie hier zijn gekomen. We moeten onze krachten bundelen om te bedenken hoe we de mensen op aarde laten inzien dat zij goed voor de aarde moeten zorgen. Zoals jullie misschien al weten, verplaats ik mij door tijd en ruimte. Zoals jullie denk ik niet weten, kan ik dit ook delen. Ik laat jullie iets zien. Sluit je ogen.


“Hoe kan het toch dat mensen niet beseffen dat wij mensen de aarde onleefbaar maken? Hoe kan het toch dat mensen zichzelf belangrijker vinden dan de aarde en de dieren? Of anders, op zijn minst de generaties na ons? Hoe kan het dat steeds meer mensen juist een hekel krijgen aan ‘klimaat’? Als ik hieraan denk voel ik de machteloosheid heb ik zin om het op te geven. Het voelt alsof ik alleen kan kiezen tussen vechten tegen al die naïviteit of zelf ook vluchten door mijn kop in het zand te steken. Ik voel de neiging om te vluchten en ook gewoon te leven alsof er niks aan de hand is. Ik wil ook wel drie keer per jaar op vliegvakantie, vlees, kaas en vis eten zoveel ik wil en elke week nieuwe spullen in huis halen. Als ik dat toch eens kon, zonder te denken aan moeder aarde, zou mijn leven zo makkelijk zijn. Het vervult me niet alleen met angst, ook met onbegrip en woede. Walging zelfs. Hoe kunnen mensen zo zijn?”


Bea: Maar… dat… dat ben ik. Toch? Ik ken degene die daar loopt. Ze voelt zo vertrouwd, zo eigen, en toch weet ik het niet zeker. Maar ik denk het echt. Ik ben dat, toch?


Zig: Klopt, Bea. Ik heb jou gezien daar. We gaan verder. Sluit je ogen weer.


“Zo hard nadenkend dat ik mijn gedachten bijna letterlijk kan horen. Wat moeten we nu? Hoe krijgen we mensen allemaal weer met de neuzen dezelfde kant op? Het is crimineel dat mensen nu niét bezig kunnen zijn met moeder aarde. We moeten de barricades op! We moeten langs de deuren. Iedereen moet het weten: de aarde gaat eraan!”


Joji: Tja… dan ben ik dit. Ik voel het meteen.


Bea: Dus wij zijn hier omdat wij ons wél zorgen maakten om de aarde? Omdat wij de aarde wél beter wilden maken. Alleen we wisten… weten niet hoe.


Joji: Nou, ik had best veel plannen zie ik… En toch voelde ik me machteloos.


Caeruleum begint de snuiven en met zijn voorste voet in de grond te graven. Zig kijkt naar hem en snapt het.


Zig: We moeten door. Cearuleum heeft een volgende bestemming.


Op afstand van de groep lag Okami geduldig te wachten. Maar op dit signaal van Zig springt hij op en laat een luide huil horen. Eindelijk! Aan het werk.



Ik word wakker en zie dat ik onder een boom lig. Vlak boven mijn hoofd ritselen een heleboel bladeren in een zachte bries heen en weer. Ik lig op de grond dus de takken van de boom zijn vlakbij de grond. Ik sta op, een beetje versuft, en zie dan dat het een treurwilg is. Ik lag te slapen onder een treurwilg? Ik bekijk de boom. De grote bast met diepe rimpels doet me ergens aan denken. De rimpels lijken wel een soort gezicht te vormen. Grappig. Met mijn armen haal ik de hangende takken opzij zodat ik buiten de boom kan kijken. Ik zie een landschap dat ik niet herken. Waar ben ik?

Als ik nog wat takken opzij haal om het beter te kunnen zien, zie ik mijn armen. Mijn huidskleur verbaast me en ook de vorm ziet er gek uit. Al weet ik niet of die verbazing komt doordat ik er eerst anders uit zag. Ik herken het nu in ieder geval niet als ‘van mij’.

Mijn ogen gaan terug naar mijn omgeving. Wat is dit voor plek? Ik zie veel groen en een beekje, maar geen gebouwen. Leeft hier niemand? Ik voel paniek opkomen: hoe blijf ík hier dan leven?

Ik ga naast de beek zitten. Ik heb dorst maar ik voel een hoge drempel bij drinken uit een beek. Het lijkt me smerig. Ik kijk een stukje stroomopwaarts. Hoe weet ik of ik hieruit kan drinken? Ik heb zo’n dorst. Ik ga toch maar lopen en hopen dat ik ergens een kraan tegenkom met drinkwater. Er zal hier vast een dorp zijn.


Zig ziet de nieuwe gast naderen. Van Zaga begreep hij dat er een nieuwe gast zou komen en ze hebben hun best gedaan te achterhalen waar deze gast zou komen zodat Zig vooruit kon gaan om hem snel op te zoeken. De rest van de groep staat te trappelen om aan de slag te gaan dus hij wil deze gast snel bij de groep voegen. Hij zit op Caeruleum en heeft nog een paard bij zich.


Ik loop al een tijd en nog steeds geen water. Maar dan ineens in de verte… twee paarden. Op een van de twee paarden zit iemand. Een huivering trekt langs mijn rug. Ik heb niks met paarden. Ze zijn zo groot en zwaar. Een vage herinnering komt op van een paard die op mijn tenen staat op een plek waar heel veel paarden rondlopen. De machteloosheid van toen overvalt me nu weer. Ik wil niet naar die paarden lopen. Maar iets in mij trekt me er toch naartoe. Misschien dat er een mens op een van de paarden zit. Een mens met water?


Ik loop erheen maar het wordt niet duidelijker als ik dichterbij kom. Ik zie een jeugdige persoon met een oude blik. In zijn, of haar, ogen zie ik antwoorden en vragen tegelijk. Ik wil weg van dit onbekende wezen maar ik voel ook aantrekkingskracht.


Zig: Welkom beste reiziger! Ik ben Zig, dit is Caeruleum en dat is jouw paard. Je bent in het land van Lincei. Voor we kunnen gaan heb ik eerst deze brief voor je.


Jack pakt de brief van Zig aan, al blijft hij achterdochtig. Wat is dit voor gast?


Zig heeft tijdens het lezen zwijgend toegekeken, zonder oordeel. Als Jack klaar is vult hij de informatie aan.


Zig: we hebben inmiddels begrepen van de lynx dat jij de laatste schakel bent in dit verhaal. Jij bent wie we nog missen. Weet je inmiddels al een beetje waarom?


Jack: om eerlijk te zijn… ik snap er helemaal niks van. De aarde redden van het klimaatprobleem? Dat klinkt als klinklare nonsens. Dus nee. Ik heb geen idee waarom jullie mij nodig hebben.


Zig: jij vertegenwoordigt een belangrijke groep van de mensheid. Op aarde heb je veel geprotesteerd tégen klimaatdemonstraties. Het bloembollenbedrijf van jouw familie heeft de afgelopen decennia veel problemen gehad door de steeds veranderende milieuregels en jij bent je hiertegen gaan verzetten.


Jack: nou, dat klinkt alsof ik goed bezig was.


Jack probeert zijn nonchalante houding tegenover dit rare wezen vast te houden, maar er begint iets te dagen. Hij voelt weer de frustratie en onmacht. Hij ziet twee oudere mensen aan een keukentafel zitten, over hele bergen papierwerk gebogen. Hard hun best aan het doen om het bedrijf toekomstbestendig te maken, qua duurzaamheid maar inmiddels vooral ook financieel.


Zig blijft zwijgend naar hem kijken.


Jack voelt dan in een flits ook weer wat hij daar miste: bestaansrecht. Hij voelde zich op een gegeven moment alsof alles waar hij voor stond, wat voor hem belangrijk was, wat zijn cultuur en identiteit was, niet meer mocht bestaan in deze ‘moderne tijd’. Hij voelt de zwaarte en somberheid. Dat is het punt waarop Zig inhaakt.


Zig: we hebben allemaal ons verhaal en dat heeft ons hier gebracht. Iedereen mag bestaan op aarde. We moeten samen ontdekken hoe. Ga je met me mee?


Na de reis van Zig en Jack zit de groep voor het eerst compleet bij elkaar. Onwennig kijken de gasten elkaar aan. Joji en Bea voelen allebei dat er iets is met Jack. Met elkaar voelden ze een automatische klik, met Jack hebben ze dat niet. Waarom zou dat zijn? Tot nu toe was hun reis betoverend. Het Land van Lincei is prachtig en zit vol wonderen en aardige wezens. Wat moeten ze met deze stuurse man die hier is bijgevoegd en die niet de ontdekkende blik heeft die zo kenmerkend is voor wezens in Lincei?


Zaga: reizigers, we kunnen beginnen.

 
 
 

4e schrijver: Yvonne Schoutsen

Joji

Personage in de sterren
Joji

Zaga kende de vrouw met de gitzwarte haren uit een aantal voorspellende dromen die ze had gehad. Bea, de gezegende reiziger, met ‘blue velvet desert boots’. Bea zou naar het land van Lincei komen om de koers te bepalen. De koers om de verbinding op de aarde te herstellen, om de mensen daar wakker te schudden en de aardbewoners te herinneren aan het feit dat ze niet boven de natuur staan, maar er deel van uitmaken.


Bea had in Zaga’s droom de groene veters uit haar fluwelen schoenen gehaald. Ze had er in het midden aan getrokken tot de uiteinden uit de bovenste gaatjes van de schoenen floepten. Op dat moment leken ze langer te worden en Bea plukte verder. Vanuit het midden trok ze nog een keer aan de veters, die in de linkerschoen met haar linkerhand en die in de rechterschoen met haar rechterhand. Weer werden ze langer en ook dikker. Het werden koorden. De vingers van Bea leken te weten wat ze moesten doen. Ze haalden de twee veters in hun geheel uit de boots. Ze waren nu net zo breed en dik als een broekriem. Bea wist intuïtief wat ze daarmee moest doen. Ze koos een paard uit de groep met zwart-witte vlekken. Die had een koord om zijn nek met een volle fles water. Als ze die fles eraf gespte, konden de riemen eraan, om te sturen. Deze teugels zouden de hengst door het land van Lincei leiden. De harem zou volgen, alle twaalf paarden klaar voor een redder van moeder aarde.


Denkend aan die voorspellende droom, hoopt Zaga dat de paarden en Ōkami er vlug zullen zijn. Als zieneres weet ze dat Bea het juiste paard heeft uitgekozen, maar dat ze op de één of andere manier nog niet het geheim van de veters heeft ontdekt. De oorzaak was de stromende rivier die Bea tot dienst was in haar dorst. Ze had de fles niet nodig en die zat dus nog keurig om het koord van de zwart-witte hengst. Het paard had ook nog geen naam en daarom kon Bea zijn gedachten nog niet ‘horen’. Alleen dieren met een naam bezitten die verbindende kracht.


Zaga: Nu is Bea een band met Ōkami aangegaan. Ik weet dat Ōkami haar naar mij toe zal brengen. Laat ze snel zijn, alsjeblieft! Dan zal ik Bea de opdracht geven om de veters uit haar schoenen te halen. Ik zal haar ook vertellen dat ze de hengst een naam mag geven, zodat ze met hem kan communiceren.


Zaga weet dat alle paarden mee zullen draven naar de grot. Zonder groene teugels is de harem paarden stuurloos, maar haar wolf zal de dieren nu bij elkaar houden. Als Ōkami met de twaalf paarden arriveert, kan Zaga zelf ook een paard uitkiezen. Ook zij maakt deel uit van de missie van de Lynx. Ze zullen met behulp van de routekaart en de groene teugels het land van Lincei doorkruisen. Wat kijkt ze daarnaar uit. Als deze missie slaagt, is de aarde gered! Zaga sluit haar olijfgroene ogen voor een gelukzalig moment. Ze is al zó ontzettend lang in het land van Lincei dat ze de aarde alleen nog in haar verbeelding kan zien. Achter haar gerimpelde oogleden is het er allemaal nog. Maar als ze Zig hoort praten, dringt de tijd op aarde.


Op dit moment is Zig op moeder aarde voor een observatie. Zig is de boodschapper tussen twee werelden en kan altijd heen en weer. De lynx heeft hem daarvoor uitgekozen. Zig is in alles tweezijdig. Hij is zowel mannelijk als vrouwelijk en hij is oud en ook jong. Als een balletdanser beweegt Zig zich tussen de aarde en het dorp. Dat dorp is in het land van Lincei en daar heeft Zig een atelier. Zig timmert en creëert en weet met alle houtsoorten raad. Hij gebruikt alleen het hout van oude exemplaren die zich nuttig willen maken en zorgt daarnaast voor de aanplant van nieuwe bomen. Zig heeft energie in de ochtend en in de avond is hij moe. Hij kan niet eten, maar wel drinken en hij leeft van ahornsap, die hij zelf oogst. Achter zijn timmeratelier is de boomgaard met twaalf grote suikeresdoorns. Deze esdoorns staan vooraan te pronken, net voor de muren van de binnentuin. Als je het dorp uitrijdt en de heuvels passeert, zie je de veelzijdigheid van boomsoorten in het landschap. Als Zig nieuwe boompjes plant, doet hij dat aan de randen van het bos. De zaden haalt hij uit alle werelddelen op aarde en zo is het land van Lincei een groot reservaat. Er zijn minstens twee bomen van elke soort. De ritjes van het atelier naar de bosranden van Lincei, legt Zig af op de rug van zijn trouwe merrie. Ze zijn onafscheidelijk, het paard met de blauwe ogen en haar berijder. Als Zig naar de aarde gaat, is Caeruleum in de natuur. Als Zig terugkeert naar Lincei, navigeert hij naar de blauwe ogen van Caeruleum. Hij komt dáár terecht, waar Caeruleum zich bevindt.


De zon is net ondergegaan en in het westen staat een geeloranje gloed aan de einder. De sliertvormige stoet dieren beweegt zich oostwaarts door het landschap. De avond brengt verkoeling in de Linceilanden. De grot waar Zaga ligt te mijmeren is nog een paar mijl verderop. Bea weet niet hoe ver nog, maar haar rug voelt stram en haar dijen doen zeer. Ze wil heel graag pauzeren, maar de paarden draven door. De wolf loopt voorop met zijn neus in de wind. Met het blote oog is Ōkami niet te zien, maar gedurende de dag liepen de twaalf paarden de hele tijd achter hem aan. Het was een machtig gevoel om over de vlakte te rijden, met de wolf als gids en ze weet dus dat hij daar vooraan loopt, deze bijzondere wolf. Bea huivert even als ze zich realiseert dat ze hier de enige mens is, in de vallende duisternis, op de uitgestrekte prairie.


Bea: Oh Ōkami, ik kan niet meer. Kunnen we niet heel even stoppen en op adem komen? Ik weet dat Zaga op ons wacht, maar het is al donker en ik heb spierpijn en dorst.


Als een trouwe viervoeter reageert Ōkami op haar wens. Alle paarden komen tot stilstand als hij zijn pas plots inhoudt en na het remmen zijn soepele voorpoten strekt. Bea valt bijna van de rug van haar zwart-witte paard, omdat hij woest zijn lange manen schudt.


Bea: Ho Zebra! Laat me even afstappen eerst. Je bent me er eentje; ik lag bijna op de grond.


Als de zwart-witte hengst de naam hoort, die zijn berijder hem geeft, houdt hij zijn hoofd meteen stil. Alsof hij een commando opvolgt. De fles aan het hals-koord schudt nog driftig van links naar rechts. Ōkami laat van zich horen met een enorme uithaal.


Ōkami: Woeeehoe-oe-oe-oe!


Op hetzelfde moment komt Zig terug van moeder aarde. Hij staat daar doodleuk naast Caeruleum alsof hij de ganse dag met het gezelschap heeft gereisd.


Bea: Wat gebeurt hier? Ben jij er ook weer, Zig??

Ik moet nú een slok water!


Bea stapt van het paard af, dat ze net plagend Zebra heeft genoemd. Niet alleen vanwege zijn kleuren, maar vooral door zijn ferme ronde bilpartij. Als Bea de fles van het koord om zijn hals af wil draaien, ziet ze hem daaraan bengelen alsof hij haar waarschuwen wil.

Zwiep.

Zwap.

Zwiep.

Zwap.

Bea negeert het heen-en-weer-gezwaai van het voorwerp, omdat zij niet weet dat het aan de gesp hangt, waaraan de groene teugels moeten worden bevestigd. Als ze straks bij Zaga is, zal dat duidelijk worden, maar nu is ze dorstig en vermoeid. Allen staren haar aan als ze een slok neemt uit de fles. Ze bevinden zich in een beekdal in de Lincei-vallei. De tien paarden zonder naam vormen een halve kring. Ōkami staat aan kop, met zijn neus in de richting van de mergelgrotten. Hij kan Zaga al ruiken. Zij wacht hem op in de grot van de waarheid. Ōkami wil dóór!


Ōkami: Ik ben meer dan klaar om te gaan. Ik zal netjes wachten tot Bea en Zig weer op hun paarden zitten. Maar schiet in kami’s naam op! De nacht is al gevallen en Zaga wacht met smart.


Zebra en Caeruleum staan in het midden van de lange sliert paarden die een halve cirkel vormen. Er staan vijf paarden naast Zebra en nog eens vijf naast Caeruleum. Tussen hen in is een graspol: een verhoogde bult aarde met een paar pluimen groen.

Daar beweegt iets krachtigs uit omhoog en helemaal niemand merkt het op.

Zoals de bovenkant van een cake na zestig minuten in de oven, zo stuwt de grond omhoog. Er ontstaat er een scheur in de beemd, waaruit een krachtig stel armen verschijnt, die een krap colbertmouwtje op spanning zetten.


Ik: Een wolf! Wolvengehuil! Hoorde ik dat nou goed zojuist? Waar ben ik?


Alsof ik door een tunnel schoot als een bliksem met de snelheid van het licht. De felle kleuren die op me af kwamen deden pijn aan mijn ogen. Nu is het eindelijk donker en kan ik mijn ogen open doen. Mijn benen zitten klem, maar mijn armen hebben de ruimte. Ik grijp opzij en voel zachte kluiten aarde en een paar lange sprieten, die dunner zijn dan mijn vingers. Ze ruiken aangenaam, wat kruidig en boven me is de donkere lucht. Voor mij, tussen het gras, staan bonkige potjes. Daarboven groeit haar. Het zijn hoeven van dieren met knokige enkels. Ik zet mijn onderarmen op de vaste grond en trek me op door aan mijn ellebogen te gaan hangen. Met knieën en voeten zet ik me af aan de afbrokkelende kleigrond. Een grote groep paarden staat in een kring om me heen.


Caeruleum staart naar beneden en knijpt haar ogen goedmoedig toe. Alsof de jongen die zich uit de grond wurmt, wordt verwacht. Wanneer de andere paarden rustig in de halve kring blijven staan, is er één schel geluid. Bea slaakt een gil en kijkt hulpeloos vragend naar Zig. Zig reageert meteen met een stap in de richting van het gat. Hij biedt de nieuweling zijn uitgestoken hand en helpt hem aan zijn arm omhoog, in de richting van het paard met de koker. Die draagt het sieraad met de gekleurde steentjes en kijkt vurig naar de ietwat kleine jongeman met sluik haar in een ruiterkostuum.


Zig: Goedenavond, beste jongen. Wees niet bang. Ik ben Zig en dit is Bea en onze dieren doen je niets. In deze koker zit een brief voor jou. Lees hem alsjeblieft eerst, zodat alles duidelijk wordt. Ik zal je bijschijnen met een lucifer van vurenhout.


Omdat hij geen dreiging voelt, maar ook niets van de situatie begrijpt, doet de jongeman maar gewoon braaf wat deze sierlijke figuur van hem vraagt. Hij leest de brief zonder zijn stem te gebruiken en alle aanwezigen staren naar de vlam, die van de lucifer komt. Die brandt zo’n tien seconden en dooft dan uit. Het verspreidt een indringende maar heerlijke geur. Zig strijkt een tweede exemplaar aan. De vonk met zwavelspatten doet de nieuweling terugdeinzen. Er trekt een siddering door de zwoele vallei, alsof de paarden gezamenlijk een ‘electric boogaloo’ opvoeren. De jongeman stapt weer op de vlam af, om de laatste zinnen van de brief te lezen. Daarna kijkt hij om zich heen om tussen de paarden Caeruleum te zoeken. Het paard met de blauwe ogen heeft het zakje met letters om haar hals. Alsof het een geheim ritueel betreft, houden alle aanwezigen hun adem in. Hoe zou de nieuweling heten? Er is een derde lucifer nodig en dan begint de jongen te spreken.


Joji: dat is mijn naam.


Daarop neemt Bea het woord en steekt haar hand uit naar de nieuwe reiziger. Ze praat hem bij over hun rit, die naar Zaga leidt in een grot. Een grote witte merrie steekt haar neus omhoog. Joji loopt op haar toe en knoopt zijn jasje los. Hij trekt het uit en houdt het in zijn hand en zet zijn voeten keurig netjes naast elkaar. Met half gesloten ogen buigt hij zijn bovenlijf voor het ranke dier met de witte manen, die naar rechts lijken gekamd.


Joji: Yoroshiku onegai shimasu.


In het gebaar van Joji zit geen onderdanigheid. Het is eerder een kennismaking vol respect voor het edele dier dat voor hem staat. Zoveel groter dan hij, een Lipizzaner merrie. Ze biedt haar rug aan als antwoord en de nieuwe reiziger stijgt op. Hij doet dat verrassend soepel voor zijn lengte, hij heeft dit vaker gedaan. Hij trekt zijn jasje weer aan en knikt kort naar Zig.


Joji: Wat mij betreft kunnen jullie je weg vervolgen. Ik pas me aan en rijd mee naar de grot. Ik weet niet hoe ik jullie moet bedanken, voor dit hemelse welkomstcomité.


Ōkami weet niet hoe vlug hij zich uit de voeten moet maken en alle paarden draven hem gewillig achterna. Oostwaarts gaan ze, naar de grot van de waarheid. Aan de hemel trekt een sterrenregen als een serie pijlen naar beneden. Ze verlicht een grote donkere bergmassa aan de horizon.


Joji krimpt een ogenblik in elkaar wanneer hij de korte lichtflits in de donkerte ziet. Het brengt hem terug in gedachten naar een draaikolk met fonkelende kleuren. Wat heeft hij een donkerte gevoeld voordat hij daarin terechtkwam. Hij heeft geen idee wáár hij vandaan is gekomen. Waar is hij in vredesnaam van weggevoerd? De lynx had hem hier heen geleid. Is dit de hemel?


Ook Bea ziet de sterrenregen. Het spreekt vanuit de verte tot haar. Ze krijgt een ingeving, een beeld. De lichtscheut brengt haar een herinnering aan haar leven op aarde. Het is niet in woorden te vatten, maar ze ervaart een gruwelijk leeg gevoel. Zinloosheid. Een wens om te verdwijnen. Ze staat op een spoorwegovergang. In de verte het gedender van de wielen van de trein. En dan een dier. Snel en lenig. Het springt uit de bosjes en trekt haar van het spoor. Ze ligt op veilige afstand van de rails als de machinist de claxon laat horen en zij (als in een film) in de ogen van de lynx staart en verdwijnt.


Bea geeft Zebra een kleine tik tegen zijn flanken, met de fluwelen schoenen, en natuurlijk niet te hard. Ze probeert naast Zig en Caeruleum te komen, zodat ze hem iets kan vragen.


Bea: Zeg Zig, mag ik jou iets vragen? Ik heb met Ōkami van gedachten gewisseld en ben veel te weten gekomen. Zo heeft hij me verteld over Zaga en over haar komst naar Lincei. Ze wilde van een brug af springen en werd gered en mij is iets vergelijkbaars overkomen. Er zitten tientallen jaren tussen, maar het is wel heel bijzonder. Zou de nieuwe, deze Joji, ook een bijna dood-ervaring hebben gehad?


De maan is nog dunner dan een glimlach en Zigs gezicht is nauwelijks zichtbaar. Maar zijn stem klinkt krakerig en bedachtzaam, als hij Bea antwoordt op haar vraag.


Zig: Het is niet voor niets. Zoals je zegt. En ook Joji is in het oog van de lynx gedoken en nét niet gestorven, zoals jij.


Bea: Waaróm krijgen wij een tweede kans van de lynx? Waarom zijn uitgerekend wij uitverkoren?


Zig: Dat zal duidelijk worden. Later. Voor nu telt alleen dit moment. Mijn krachten nemen af. Ik moet slapen. Daar is de grot al, kijk, daar staat Zaga naast het vuur.


Zaga: ŌKAMI! Mijn wolfie, je hebt de gast hier gebracht!


Ōkami : RRR… en nog een ander. De nieuwe lag drie mijlen terug in de beemd.

 
 
 

3e schrijver: Sandra Post

Zaga



Daar zit ik dan, zittend op een koude, gladde rots, te wachten op belangrijk bezoek. De rots biedt veel verkoeling op deze warme dag. Ook in Lincei stijgen de temperaturen langzaamaan. Het is de mensen op aarde weer niet gelukt om de aarde te beschermen. Inmiddels ben ik de tel kwijt, was dit nou al 77e of 78e keer dat het niet gelukt is? Waarom verliest de mens, de hoeder van de aarde het contact met de aarde? Waarom zijn juist zij de hoeders van de aarde? Zijn ze daar wel geschikt voor? Kunnen zij deze grote verantwoordelijkheid wel aan? Nu lijkt het erop dat hun lot weer verbonden is met de vernietiging van deze mooie parel in de kosmos. De natuurlijke ontwikkeling van de mens heeft niet als doel om zich te verheffen tot de maat van alle dingen. Het willen regeren over de wereld vervreemdt de mens met de aarde en snijdt hem af van zijn natuurlijk proces: het waken over de aarde, het stukje hemel in ons sterrenstelsel. Zaga’s hoofd zit vol vragen en ze bibbert bij de gedachte dat het misschien weer niet lukt om de aarde te beschermen en het hele verhaal van de

aarde en haar bewoners opnieuw gaat beginnen. Ze tuurt in de verte om te zien of ze Zig en de nieuwe bezoeker al ziet aankomen. De hoop is gevestigd op deze nieuwe bezoeker van het land Lincei.

Terwijl Zig en Bea door het bos lopen ziet Bea dat Cearuleum en de andere paarden in een kring staan. Wat doen ze daar? vraagt Bea zich af. Ook Zig ziet het gebeuren en loopt direct die kant op. Bea loopt ook die kant op. Daar aangekomen ziet Bea temidden van de paarden een uit een kluiten gewassen wolf. Ze schrikt. Waarom staat die wolf daar?

Zig loopt naar de wolf toe en geeft hem een knuffel. De wolf lijkt hem te kennen en is zichtbaar ook erg blij om Zig te zien. Om de nek van de wolf ziet Bea een blauw fluweel buideltje hangen met het oog van een lynx. Zig lijkt dit te weten, hij haalt het buideltje voorzichtig van de wolf’s nek af en haalt er een briefje uit. Met een liefdevolle glimlach leest hij het briefje: ‘Lieve Zig, hopelijk heb je onze nieuwe bezoeker gevonden. Ik wil je vragen om niet naar het dorp te gaan maar naar onze geheime plek, de grot van de waarheid. Daar kunnen we aan onze bezoeker haar opdracht tonen. Ōkami zal jullie vergezellen en beschermen want ook op Lincei is het momenteel onstabiel en onvoorspelbaar. Zig, ik hoop je snel te zien. Liefs Zaga.’

Zig geeft Ōkami nog een knuffel en loopt met de wolf naar Bea.

Zig: Bea kom, ik wil je voorstellen aan een oude vriend! Dit is Ōkami, de metgezel van mijn vriendin Zaga. Zaga, bezit de kracht van het zien. Ik zal je meer over haar vertellen, maar nu gaan we eerst slapen, want morgen moeten we een flink stuk lopen en zal je haar ontmoeten.

Bea vraagt zich af wat er nou in het briefje stond, wie Zaga is maar laat het maar even zo, morgen heeft ze genoeg tijd om vragen te stellen.

De volgende dag staan de reizigers vroeg op. Zig heeft voor Bea fruit geplukt en kruidenthee gemaakt. Bea blijft zich verwonderen over de schoonheid van Lincei. Ze ervaart de geur van bloeiende Jasmijn en het gekwetter van tevreden vogeltjes. Ze ziet Ōkami haar kant opkomen. Hij ziet er best wel gevaarlijk uit, maar ze voelt intense liefde voor dit dier. Ze lijkt hem wel te kennen, maar hoe dan? Terwijl Ōkami haar kant opkomt, hoort ze een stem die haar naam noemt. Waar komt deze stem vandaan? De stem lijkt afkomstig te zijn van de wolf, maar dat kan toch niet? Ze kijkt om zich heen. Zal Zig ook wat gehoord hebben? Zo te zien niet. Hij zit roerloos in kleermakerszit, zijn mysterieuze ogen lijken wel licht te geven maar lijken ver weg. Bea laat het er maar even bij en gaat naast Zig zitten.

Bea: Zig, kan je mij vertellen wie Zaga is?

Zig kijkt op, hij lacht maar is er niet helemaal bij. Nu Bea naast hem zit, ziet zij dat de rimpels die zij de avond ervoor nog had gezien, zijn verdwenen, hij oogt nu als een vitale twintiger maar met de uitstraling van een wijze. Wat is Zig toch een wonderlijk persoon. Opeens ziet ze zijn blik veranderen en kijkt hij Bea indringend aan.

Zig: Bea, we moeten haast maken, we hebben niet veel tijd te verliezen. Cearuleum, mag Bea met jouw meerijden, Ōkami zal je de weg wijzen?

Cearuleum hinnikt als een teken van goedkeuring.

Zig: Fijn, dank je, je bent een trouwe vriend. Bea, ik ontmoet je onderweg, maar ik moet eerst nog wat doen, tot later.

Zig staat op en voordat Bea het doorheeft is hij verdwenen. Cearuleum duwt haar kop ongeduldig tegen Bea aan, ze wil dat Bea op haar rug gaat zitten. Waarna Bea opstapt. Cearuleum vertrekt met haar volgend de andere paarden en naast haar Ōkami. Eenmaal onderweg geniet Bea van het landschap maar voelt ze ook de onrust opkomen.

Bea: Waar gaan ze naar toe? Waar is Zig? Waarom ben ik hier?

Bea heeft na twee nachten nog steeds geen antwoorden op al haar vragen en kan deze nu ook aan niemand stellen. Ze vindt het ook niet fijn om alleen te zijn. Oké, helemaal alleen is ze niet, ze heeft de paarden en de wolf, maar toch.

Ōkami: Waar zit je mee Bea?’

Bea schrikt, ze kijkt om zich heen. Ze hoort dezelfde stem als vanmorgen. Ze kijkt om zich heen maar ziet naast de wolf niemand anders.Ōkami: Bea, ik ben het Ōkami’.

Bea schrikt: Dit kan toch niet? Ik kan toch niet met een wolf praten?Ōkami: Bea, praten niet, maar jij hebt hier in Lincei de gave om in gedachten met dieren te communiceren. Alle dieren die een naam dragen, lezen jouw gedachten, zodra jij een connectie met ze voelt kan jij met ons in gedachten praten.

Bea voelt inderdaad diepe liefde voor dit dier, maar praten is toch niet mogelijk?

Ōkami: Bea bij veel inheemse culturen is dit vanzelfsprekend. We zijn allemaal onderdeel van dezelfde levensenergie. Sommigen onder ons kunnen ook geluidloos praten met planten, rivieren, bergen en de natuurelementen. In Lincei hebben de mensen veel liefde voor moeder aarde waardoor deze gave zich sneller ontwikkelt. Jij hebt de gave om met dieren te communiceren. Bea weet niet zo goed wat ze hiervan moet denken, maar eigenlijk verbaast het haar ook niet. Zou ze dit altijd al hebben gekund zonder dat ze dat doorhad? Nu kan ze eindelijk wel haar vragen stellen.

Bea: Ōkami, wat fijn dat je mij dit vertelt. Ik heb zoveel vragen. Zou ik deze aan jou mogen stellen?

Ōkami blaft eenmaal, dat zou wel ja beteken denkt Bea. Bea: Ōkami, kan je mij wat meer vertellen over Zig en Zaga?

Ōkami: Bea, ik zal je vertellen wat ik weet, maar dat is lang niet alles. Tijdens jouw reis zullen ook de antwoorden komen maar ik zal je vertellen wie Zig en Zaga zijn.

Ōkami begint met vertellen.

Ōkami: ik ben loyaal aan Zaga. Zij is mijn beschermelinge sinds zij zich over mij als klein welpje heeft ontfermd. Zaga is ook een oude goede vriendin van Zig. Zig heeft haar, net als jij, gevonden en haar meegenomen naar zijn dorp. Toen hij Zaga aantrof, was ze er slecht aan toe. Ze was verward en intens verdrietig. Ze begreep zelf niet waar haar verdriet vandaan kwam, maar Zig kon haar daarbij helpen. Zaga had verdrietige herinneringen van waar ze vandaan kwam, de aarde. De mensen hadden de aarde verwoest door hun overmatige drang om meer en meer te willen consumeren. Voor deze drang moest de aarde wijken. Complete bossen werden gekapt, de diepzee werd leeggeroofd voor metalen en natuurgebieden werden opgeofferd voor de olie-industrie. Naast het kapotmaken van de aarde werden de mensen zelf langzaam hersendood gemaakt door de technologie. Kinderen zaten al vanaf babytijd achter een device, werden verslaafd gemaakt, waardoor zij geen oog meer hadden voor hun omgeving en hun medemens. Zij groeide op zonder besef van hun omgeving. Niets was meer belangrijk, de echte buitenwereld deed er niet meer toe, het enige wat gold was de eigen binnenwereld die werd gecreëerd in de wereld van algoritmes en AI. Zaga ging eraan onderdoor, ze zag dat de aarde en

haar bewoners door de hebzucht van de mens vernietigd werd. Het raakte haar dat ze hier alleen niets tegen in kon brengen. Ze stond op het punt om van een brug te springen, tot ze ineens een bijzondere sticker zag op de brugleuning. Op de sticker was een lynx te zien, waarbij het oog van de lynx leek op te lichten. Zaga werd er zo door aangetrokken dat ze besloot om het van dichterbij te bekijken. Het oog van de lynx was wonderbaarlijk. Ze zag in het oog diepte, het leek wel op de kosmos vol met prachtige kleuren. Zaga bleef er gefascineerd naar kijken en voordat zij het wist werd ze door een draaikolk meegenomen naar hier, het land van Lincei. Bea schrok. Ook zij was op deze wijze in Lincei terecht gekomen. Ze wilde Zaga nu erg graag ontmoeten. Ze had zoveel vragen, misschien kon zij haar wel helpen. Zaga kijkt in de verte, maar ziet nog niemand aankomen. Haar ogen waren ondanks haar ouderdom niet aangetast, net als haar geheugen. Haar botten waren met de jaren wel wat strammer geworden, maar ze had nog een goede conditie door de gezonde leefomgeving van Lincei. Doordat Zaga veel wandelde was haar huid bruin en gerimpeld. Haar haren waren lang en volledig wit. Zaga was oud, maar ondanks haar vele rimpels straalde haar liefdevolle olijfgroene ogen jeugdigheid en nieuwsgierigheid uit. Zaga bezat een grote wijsheid en was een meester in het vertellen van verhalen over de mens en aarde. Daarnaast bezat zij de kracht van het zien.

Zaga: Zou Ōkami Zig en Caeruleum gevonden hebben? Vast wel, Ōkami heeft een goede neus en ogen. Wat is het toch een lieve vriend. Hopelijk is Zig er snel.

Ze weet zich nog goed te herinneren dat ze Zig voor het eerst zag, ze wist niet goed hoe ze hem moest inschatten. Hij was soms zo afwezig. Naarmate zij Zig beter leerde kennen kwam ze erachter dat hij op meerdere plekken tegelijk aanwezig kon zijn en door de tijd kon reizen zonder dat je dat doorhad. Zaga was hierachter gekomen omdat Zig regelmatig zijn eerdere zin herhaalde alsof hij het voor het eerst zei. Zig verouderingsproces verloopt door deze gave anders. Zo veroudert hij sneller waardoor hij in de loop van de dag een oude man is, maar omdat zijn lichaamsprocessen sneller verlopen, regenereert zijn lichaam ook sneller, waardoor hij weer jong wakker wordt. Toen Zig haar vond was ze er slecht aan toe en had ze bijna geen herinneringen aan haar leven op aarde. Ze was wel geschrokken van haar eigen handen. Deze waren rimpelig en oud. Iets in haar wist dat ze niet ouder was dan 30, maar dat was dan ook alles. Zig had Zaga liefdevol opgenomen en meegenomen naar zijn dorp. Daar voelde zij zich gelijk thuis. Elke dag weer genoot ze zo van het leven in het dorp en van de schoonheid van Lincei. In Lincei was er evenwicht. De natuur kon zijn gang gaan, waardoor er bomen stonden van duizenden jaren oud. De dieren waren niet bang voor de mensen, want zij werden niet gegeten. En er

werd niet meer genomen van de natuur dan nodig was. Alles was in evenwicht. Ook de voeding was goed. De mensen aten gezond en gematigd. Zig had haar verteld dat de mensen de hoeders zijn van de aarde. De mens hoort zichzelf ten dienste te stellen van de aarde en alles wat op de aarde leeft te beschermen. Zaga keek verdrietig. Helaas was de aarde al een paar keer verwoest door toedoen van de mens ondanks dat er een groep mensen was die wel ontwaakt waren en probeerden het tij te keren. De wereld van Lincei, is een tussenwereld, die de bezoekers een kans geeft om de aarde te redden door hun kennis en kunde te delen. De bezoekers hebben de taak om de mensheid ervan bewust te maken dat de aarde leeft en dat we met alles wat op de aarde leeft rekening moeten houden. Nu was Zig onderweg naar de grot samen met een belangrijke bezoeker. Het was alweer een tijd geleden dat er een bezoeker in Lincei was beland. Zaga had deze nieuwe gast al een paar keer ontmoet in haar droom, zij was de sleutel om de mensen dit keer te laten slagen met hun taak de aarde te beschermen. Zaga tuurt weer in de verte en zucht: ik hoop dat ze er snel zijn, ik wil haar graag ontmoeten.

 
 
 

© 2023 by Orde & Chaos 

bottom of page