top of page

2e schrijver route G: Henk Alders

personage Abe
personage Abe

Langzaam ontwaak ik uit een diepe en verwarrende droom.

Ik wandelde door een prachtig woest landschap en stond plotseling oog in oog met een

katachtig dier met lange puntige oren. Een Lynx.

Het beest keek mij vriendelijk maar indringend aan. Het leek mij uit te dagen om samen op

avontuur te gaan. Van avonturen hou ik wel, maar dit is wel een vreemde metgezel.

Weer keek de lynx me doordringend en ook aanmoedigend aan. “Toe maar”, leek het te

willen zeggen. Maar wat dan... Plotseling werd ik met hoge snelheid een kleurrijke draaikolk

ingezogen.

Voorzichtig opende ik mij ogen. Waar ben ik?

Boven mij een groen dak, ondersteund door een dikke rode stam. Uitlopers van de stam

doorkliefden als aders het dak. Dan besef ik dat ik onder een gigantisch rabarberblad lig.

Maar dat kan toch niet; daarvoor ben ik veel te groot. Wat is er met mij gebeurd? Ik moet

opeens heel klein zijn geworden.

Steunend op een arm kijk ik langzaam om mij heen. Links van mij liggen in een klein kuiltje

3 gespikkelde eitjes. Het kuiltje is bekleed met kunstig door elkaar heen geweven stengeltjes en kleine blaadjes. Een zacht bedje.

Een vaag gevoel van herkenning. Beelden uit een vorig leven komen in mij op.

Achter mij klinkt een zenuwachtig gepiep. Ik draai mij zover mogelijk naar achteren en zie

dan de witte kwikstaart die niet gediend is van mijn bezoek. Zijn lange staart gaat

zenuwachtig op en neer.

Rustig maar, ik ga al weg. Althans als ik overeind kan komen uit mijn benarde positie. Maar

dat gaat verrassend makkelijk. Lenig kruip ik onder het bladerdak vandaan. Als ik opsta zie ik dat ik kleine dunne beentjes heb met relatief grote blote voeten.

Wat is er toch met mij gebeurd en waar ben ik?

Ik sta op een smal zandpaadje. Aan ene kant een groot rabarberveld. Aan de andere kant een slootje met helder water. Ik zie mijn gestalte in het water en schrik enorm.

Ben ik dat? Een klein mannetje met een dik rond hoofdje, punt- oortjes en een warrige krullenbol. Wat is er toch met mij aan de hand?

Weer bekruipt mij het vage gevoel dat ik deze omgeving ken.Voor mij op het zandpaadje dribbelt het witte kwikstaartje druk heen en weer. “Volg mij maar”, lijkt het te willen zeggen. Het beestje loopt met parmantige stapjes en een steeds opwippende staart voor mij uit. Aan het einde van het pad zie ik een klein schuurtje. Aan een kant hoog opgestapelde houten kisten.

Er komt een man uit het schuurtje. Maar... dat is mijn vader. Ben je daar eindelijk jongen. Ik

wil je iets moois laten zien. Hij tilt mij hoog op naar de bovenste rand van de kisten. Door

een kiertje zie een klein nestje met 4 piepkleine, net uit het ei gekomen, vogeltjes. Kan je het zien jongen, een nestje van de geelgors.

Dat vogeltje ken ik wel, prachtig geel met bruin gestreepte vleugeltjes. Overal rond de tuin

van mijn vader hoor je hun karakteristieke gezang. Het geluid dat Beethoven inspireerde

voor het begin van zijn vijfde symfonie: Tatatataaaaaa--- tatatataaaaa

Dan sta ik opeens weer op de grond, helemaal alleen. Wat gebeurt er toch met mij? Waar is mijn vader? Droom ik dit alles?

Langzaam komen herinneringen in mij op en verschijnen beelden op mijn netvlies van een

ander bijna 80-jarig leven. Ik ken dit gebied omdat ik hier als kind vaak kwam.

Maar dit land bestaat al lang niet meer. Ik heb gezien hoe het in mijn leven als mens in 50

jaar is opgeslokt door de industrie, staalfabrieken die veelkleurige rookpluimen uitstorten die de natuur hebben verdrongen en de mensen in de omgeving ziek maakten.

Opeens besef ik dat ik door de lynx in een andere gedaante ben teruggezet in de tijd.

Maar waarom?

Ik loop naar het toegangspad van de tuin en schrik dan plotseling van naderende geluiden.

Paardenhoeven klinken in de verte. Komt daar het jachtgezelschap van de jonkheer aan? de man van wie mijn vader het land pacht. Maar ik hoor geen geschreeuw en ook niet het

geluid van stokken die tegen bomen worden geslagen. Er komen geen drijvers aan die het

wild opjagen. In de verte zie ik een groep paarden die rustig aan komen lopen. Op een ervan zit een klein meisje dat vrolijk naar mij zwaait. Als ik nieuwsgierig dichterbij kom roept ze: “Hallo” Ik ben Bea, wie ben jij?

Abe: Ja wie ben ik? In verwarring stamel ik dat ik dat eigenlijk niet weet.

Ik vertel van de droom en de lynx en de kleurrijke draaikolk en alles wat er daarna met mij is gebeurd. Ik herinner mij vaag dat ik als oude man naar bed ging in een andere wereld.

In het spiegelende water heb ik gezien dat ik nu op een dwerg lijk met spillebeentjes en grote voeten en een groot hoofd met veel warrig haar.

Bea: Je bent in het land van Lincei.

Je ben, op uitnodiging van de lynx, het avontuur aangegaan om de mensen zich meer te

laten beseffen dat ze onlosmakelijk verbonden zijn met de natuur en de plicht hebben om

die natuur te beschermen, zodat ze zelf niet ten onder gaan In dit avontuur mag je zelf een

naam uitkiezen. Uit deze zak mag je 7 letters halen en daarvan een naam samenstellen die

past bij jou. Q E A B R MK O

Abe: Ik zie onmiddellijk de naam ABE tevoorschijn komen. Dat is de naam die bij past in

mijn nieuwe gestalte tijdens deze queeste. Abe staat voor edel erfgoed. Zo zou je de aarde

kunnen zien. De mensen op deze planeet hebben de plicht om dit erfhoed te beschermen en in goede staat door te geven aan volgende generaties. Deze naam lijkt mij goed te passen bij de missie waarvoor wij door de Lynx zijn uitgenodigd.

ABE is dus mijn naam

Bea: Dat is inderdaad een heel toepasselijke naam zegt Bea. Je ziet er trouwens uit als een

soort orakel, heel grappig met die grote voeten en dat grote hoofd.

Abe: Waar kom jij eigenlijk vandaan Bea. Het lijkt of je zo uit de woestijn komt met die

leuke woestijnschoenen aan. Dat is hier duizenden kilometers vandaan.

Bea: Ja dat klopt. Gisteren, toen mijn avontuur begon, werd ik wakker in een woestijn met

hoge bergen in de verte. Daar heb ik mijn eerste avontuur beleefd en de paarden ontmoet

met informatie over deze queeste.

Maar vanochtend werd ik opeens wakker op een open plek in een bos, hier niet ver vandaan. Maar wij moeten nu verder op onze tocht. Sluit je bij ons aan?

Abe: Dat doe ik graag zegt Abe. Ik wil jou uitnodigen voor een tocht door dit mooie land. Ik

ben hier in mijn jeugd als mens opgegroeid. Ik noem dit het verloren land uit mijn jeugd.

Abe: Omdat we door de lynx zijn teruggezet in de tijd krijgen we de kans om te zien hoe de

natuur hier lang geleden was en hoe de mensen daar toen mee omgingen. Ik kan je laten

zien wat er allemaal verloren is gegaan. Gelukkig zijn er ook positieve ontwikkelingen

sindsdien waar we hoop uit moeten putten. Daar vertel ik later over.

Lang niet alles was beter in het verleden. De meeste mensen waren zich niet echt bewust van de schoonheid van hun natuurlijke omgeving en van de waarde ervan. De diversiteit werd als vanzelfsprekend beschouwd In die situatie was van natuurbescherming dan ook geen sprake. Ook toen waren natuurwaarden vaak ondergeschikt aan andere belangen

Graag neem ik je mee naar een prachtig gebied aan de voet van de duinen, waar ik soms

stiekem naar toe ging. Dat mocht eigenlijk niet van mijn vader. Maar voor mij en mijn

broertje was dat een paradijs vanwege de talloze vogelsoorten die er nestelden. Wij hadden

niet alleen interesse in die vogels en hun zang, maar ook in de eieren die we daar konden

vinden voor onze natuurverzameling van schelpen, stenen, vlinders en .... vogeleieren. Zo

ging dat toen. We groeiden op met de natuur om ons heen, maar hadden geen benul van de schade die we aanbrachten Er was immers een overvloed, zo dachten we. Het kon dus geen kwaad. Van natuurbescherming hadden we nog nooit gehoord.

Bea: Waarom mochten jullie daar niet naar toe van je vader? Wilde hij niet dat jullie eieren

verzamelden?

Abe: Nee hoor, daar zei hij niets van. We zaten nog op de lagere school, het was ver lopen

en de tocht was niet ongevaarlijk. Er waren al eens problemen geweest.

Bea: Oh, vertel daar eens over.

Abe: Om ons paradijs te bereiken moesten we eerst door een donker en een beetje eng bos. Maar het grootste gevaar was boswachter DONKERS die daar heerste. Voor hem waren we echt bang. Hij woonde alleen in een klein huisje aan het zandpad waar wij overheen moesten. Hij had waarschijnlijk een hekel aan kinderen. Altijd liep hij rond met een geweer over zijn schouder. Toen hij ons een keer betrapte schoot hij met hagel in de lucht om ons flink te laten schrikken, zodat we nooit meer terug zouden komen.

Bea: Maar boswachters lopen toch niet de hele dag met een geweer. En waarom wilde hij

jullie laten schrikken. Je liep toch gewoon over het pad.

Abe: Om dat te kunnen begrijpen moet je weten dat de gebieden aan de binnenrand van de duinen tussen Zandvoort en Bergen al decennialang in bezit waren van Jonkheren en andere eigenaren met een adellijke achtergrond. Bekend waren onder meer de families Boreel, Six, van Tuyl en Gevers. Het gebied waar wij als kind veel kwamen en waar mijn vader stukken grond pachtte, was van Jonkheer Boreel. Deze eigenaren namen mensen in dienst om hun gebied te beheren en te bewaken. Het waren eigenlijk geen boswachters zoals die in de huidige tijd bijdragen aan natuurbeheer, maar jachtopzieners. Hun enige taak was om te zorgen dat er zoveel mogelijk fazanten, patrijzen, houtsnippen en konijnen in zijn domein leefden. Er werden daarvoor ook jonge fazanten uitgezet, die op boerderijen werden geteeld. Kinderen in het bos konden nesten van die vogels verstoren en moesten daarom worden geweerd. Vaak waren ze in de nacht actief om stropers, die er toen vanwege de armoede veel waren, op heterdaad te betrappen en in te rekenen. Vallen werden gezet om wezels, bunzings en ook wilde katten te vangen Die zijn gek op de eieren en jonge vogels van de bodembroeders. Vossen waren een ander doelwit. Ook werden nesten van andere eieren rovers als kraaien, Vlaamse gaaien en eksters doorschoten, zodat die zich niet konden uitbreiden. Roofvogels werden beschoten of vergiftigd en kwamen nog nauwelijks voor in dit gebied. Met al die activiteiten waren ze druk. Niet met het beschermen van de natuur.

In het gebied waar wij als kind veel kwamen waren twee jachtopzieners aangesteld.

De eerste, Scheffer was zijn naam was verantwoordelijk voor het gedeelte waar mijn vader

een tuin pachtte van de landheer. Mijn vader kon goed met hem opschieten en voor mij en

mijn broer was hij ook wel aardig. Hoewel hij het eigenlijk vervelend vond dat wij door zij

territorium scharrelden, profiteerde hij er ook van. Hij vroeg vaak aan ons of we nog nesten

van fazanten hadden gezien op onze tochten door het bos. Die vonden we inderdaad

regelmatig om dat we als kleine kinderen makkelijk door dichte bossages konden sluipen.

Als wij hem dan daar naartoe brachten kregen we een stuiver. Ook wilde hij weten of we

nesten van Vlaamse gaaien en andere eieren rovers hadden gezien.

Het was maar goed dat hij niet wist dat mijn vader eigenlijk een grote stroper was. Tussen de rijen wortels, rabarber en andere planten zette hij strikken en klemmen. Fazant en konijn stonden dan ook regelmatig op het menu in ons gezin. Regelmatig moest ik voor het naar school gaan kijken of we iets gevangen hadden. Dat was een onderdeel van onze band met de natuur.

De tweede, met de naam Donders, heerst over het gebied met veel dicht en donker bos. Dat gebied lag tussen de landjes van de tuinders en ons paradijs, waar hij niets te vertellen had! Hij liet zich zelden zien in de buurt van de tuintjes. Mijn vader en ik kenden hem dan ook nauwelijks. Zijn reputatie was wel bekend; Altijd een geweer bij zich en bijna elke nacht op pad om stropers te betrappen. En, zoals ik al vertelde, van kinderen hield hij niet.

Bea: Maar Abe, wat was de reden voor dit alles?

Abe: Dit bizarre beheer van zijn domeinen had alleen als doel om te verzekeren dat de

jachtpartijen van de jonkheer en zijn vrienden uit hoge kringen, succesvol waren. Een

eeuwenoude traditie van plezier jagen. Ik heb als mensenkind helaas een keer gezien hoe

dat er toeging. Ze waren nietsontziend en het is zelfs voorgekomen dat ze in hun jachtlust de gewassen van mijn vader vertrapten.

Daarom schrok ik in eerste instantie ook zo toen ik jou en de paarden hoorde aankomen.

Bea: Dat waren dus ook al barre tijden voor de natuur. Dat wist ik helemaal niet. Ik snap nu

wel dat jullie bang waren om door zijn gebied te trekken. Als je dat dan toch soms deed, dan moet dat paradijs wel heel bijzonder zijn

Abe: Zeker Bea.

Er waren in die tijd gelukkig ook veel natuurlijke gebieden die niet onder dit soort beheer

stonden. De industrialisatie was nog beperkt en de landbouw was veelal nog kleinschalig.

Die gebieden waren toen nog rijk aan veelsoortige planten, vogels en insecten. Ons paradijs

was zo’n gebied. Donders had daar gelukkig niets te vertellen He was een vrij gebied waar

de natuur toen nog ongestoord haar gang kon gaan. Kruidenrijke (wei)landen en

moerasachtige stroken met grote natuurwaarden.

Omdat we door de Lynx zijn teruggezet in de tijd, heb je de kans om mijn paradijs met eigen ogen te zien. Ik denk trouwens dat Donders nog in bed ligt. Aan de stand van de zon te zien is de ochtend nog niet voorbij. Dan slaapt hij meestal nog uit vanwege zijn nachtelijke tochten. Durf je met mij mee te gaan?

Bea: Ik popel om jouw paradijs te zien Abe en ben voor die Donders echt niet bang.

Klim op een paard en wijs de weg. Daar gaan we.

We volgen het slingerende zandpad door donkere bossen. Op veel plekken scharrelen

felgekleurde fazanten langs de kant. Ze lijken niet echt bang voor ons het huis van Donders

staat er verlaten bij en hij laat zich gelukkig ook niet zien. Na een rustige tocht wordt het pad langzaam breder en zien we in de verte een opeens een lichtstreep opdoemen.

Niet veel later eindigt het pad in een weidse bloemenvlakte, fel verlicht door de middagzon.

In de verte doemen de eerste duinen op. Daar is eindelijk het paradijs

Uitgelaten rennen de paarden de vlakte op en rollen door de geurige weide. Overal zoemen

bijen en andere insecten. Vlinders fladderen om ons heen. De zoete geur van de bloemen en kruiden is overweldigend. Hoog in de lucht zingen veldleeuweriken zonder ophouden hun heerlijke lied. Een grote vogel met een kromme, naar beneden gebogen snavel vliegt op uit het gras en laat zijn jodelende roep horen Een wulp. Niet veel later zien wij

zijn 3 prachtige groene zwart gespikkelde eieren liggen in een spaarzaam bekleed kuiltje

Links van ons vliegen eenden boven een moerasachtig gebied. Een watersnip verschuilt zich haastig in een rietbosje. Aan de rand van het moeras blijft een wilde eend rustig op haar nest zitten. Wat verder in riet moeras prikken twee steltkluten in de bodem, op zoek naar voedsel. In de verte laten tureluurs van zich horen.

Bea laat zich nu in het gras vallen en kijkt ongelovig om zich heen Dit is inderdaad een

paradijs. Dit heb ik nog nooit gezien. Wat een rijkdom. Ze ademt de geurende lucht diep in

zich op.Mijn dwergenhart vult zich met weemoed. Ik weet dat dit alles eigenlijk een droom is die ons heeft teruggebracht naar de tijd van mijn jeugd als mensenkind.

Plots staan de paarden doodstil. Opeens is daar de lynx. Hij kijkt ons recht in de ogen en in

een flits worden we weer opgenomen in een kleurrijke werveling. Plotseling is alles anders. De paarden zijn verdwenen en Bea en ik staan op de restanten van een oud pad dat deels is overwoekerd met gras en brandnetels. Voor ons staan hoge hekken met daarboven prikkeldraad Achter die hekken grote loodsen en monsterachtige machines met pijpen die hoog de lucht in gaan en veelkleurige rookwalmen uitblazen. Bea grijpt mij verward en angstig bij mijn arm. Bea: Wat is er met ons gebeurd, waar zijn we nu opeens?

Als ik mij omdraai zie ik dat het pad in de verte langs een oude woning loopt en op een

grotere weg uitkomt waar auto’s rijden. Ik ken die woning en weet direct waar we zijn. Die

woning stond aan de uitgang van het paradijs en staat er na al die jaren nog steeds. Door het zien we hoe het paradijs zelf sinds mijn jeugd als mensenkind is getransformeerd in een enorm industrieterrein. Als we langs het hek lopen verschijnt uit het niets weer de lynx. We moeten verder met ons avontuur, lijkt het dier te willen zeggen. Het heeft geen zin om hier te staan treuren. En weer worden we meegezogen in die veelkleurige wervelwind.

Opeens staan we op een duintop. Ook de paarden zijn er weer. Overal om ons heen hebben we zicht op talloze fabrieken, hoge schoorstenen met veelkleurige rookpluimen en

windmolens. Als we ons omdraaien kijken we uit over de zee. Het begint intussen al te

schemeren. We hebben honger en moeten een slaapplaats zoeken. De paarden zijn ondertussen afgedaald naar een duindal dat omgeven is door wilgenbosjes. Dat lijkt ook voor ons een goede plek om te overnachten. Nadat we hebben gegeten van de proviand uit een van de zadeltassen die de paarden dragen, zie ik dat Bea tranen in haar ogen heeft.

De plotselinge confronterende overgang tussen mijn Paradijs uit de jaren 50 en het heden is erg groot en heftig. Ik ben in mijn mensenleven daarin langzaam meegegroeid. Maar ook bij mij doet het toch weer pijn. Bea, die veel jonger is, is geschokt door de grote tegenstelling.

Bea: Wat moet er worden van de wereld? De mensen vervreemden van de natuur en van

elkaar. Er blijft niets van over van de natuur en de mensheid als deze ontwikkelingen zo doorgaan. Voor het slapen gaan praten we hier nog over door. Bea is erg somber.

Ik probeer haar enigszins gerust te stellen. Honderden jaren is de natuur nauwelijks door menselijk handelen bedreigd en in grote verscheidenheid aanwezig geweest. Die overvloed en diversiteit werden als vanzelfsprekend beschouwd. Natuurbescherming was dan ook niet aan de orde. De sterke industrialisatie en schaalvergroting in de landbouw hebben in een relatief korte periode plaatsgevonden. Helaas blijkt steeds weer dat de mensheid niet in staat is om vroegtijdig en effectief te reageren op ontwikkelingen die op termijn de kwaliteit van zijn bestaan bedreigen.Toch zie ik veel positieve signalen en initiatieven.

Steeds meer mensen zijn er van doordrongen dat het roer drastisch om moet om verdere

opwarming van de aarde tegen te gaan. “Natuurbeheer” ten behoeve van de plezierjacht is veelal vervangen door natuurbescherming- en ontwikkeling. Biologische landbouw zit in de lift. Initiatieven als “Herenboeren” en "Land van ons” winnen aan populariteit. De opwarming van de aarde, de uitstoot van stikstof en de energietransitie staan op veel politieke agenda’s. Deze thema’s leiden echter nog wel voortdurend tot hevige discussies.

Voordat er een wereldwijde effectieve aanpak zal plaatsvinden moet er eerst een proces

worden doorlopen. Een lang proces van ontkenning van de problemen, van discussies over

de aard, de oorzaken en de ernst ervan, van het voorrang geven aan economische belangen en van uitstelgedrag etc.. Het oude spreekwoord “als het kalf verdronken is dan dempt men de put” is dan ook nog steeds van toepassing. Misschien moeten er eerst nog (veel) meer ernstige milieu gerelateerde rampen plaatsvinden. Uiteindelijk zal de mensheid daadkracht tonen teneinde de opwarming van de aarde te keren en de kwaliteit van ons natuurlijke leefmilieu te verbeteren. Dan zal ook de enorme veerkracht en herstelvermogen van de natuur blijken.

Abe: “Houd moed Bea”

Het is intussen donker. Een bleke maan werpt een vaag licht op onze overnachtingsplek. In

de verte klinkt de lokroep van een bosuil.

Tijd om te gaan slapen.


 
 
 

5e schrijver: Margriet van Toledo

Jack



De groep waar Zaga al die tijd op gewacht heeft is compleet en in het dorp. Ze is trots op haar mede-bewoners van Lincei. De paarden hebben de nieuwe gasten een warm welkom geheten en op hun gemakt gesteld. Zig heeft ze wijsheid en vertrouwen gebracht. En Okami, haar lieve Okami, heeft gedaan waar hij het beste in is: de weg wijzen door het onbekende. Ze voelde eerder op de dag al dat Bea niet de enige nieuwe gast zou zijn. Ze voelde dat het Oog nog actief was en zag achter haar oogleden de lynx nog lopen. De komst van Joji verbaasde haar dus niet. Wat haar wel verbaast, is dat ze nog steeds de lynx ziet lopen. Nog een bezoeker? Na al die tijd stilte? Het lijkt haar onwaarschijnlijk. Wat is het plan van de lynx?


Zaga gebaart naar de groep dat het eerst tijd is om te rusten. Ze loopt een stukje buiten de groep naar een hoge rots. Ze gaat in kleermakerszit zitten en sluit haar ogen. Ze gaat op zoek naar de Lynx.


Terwijl Zaga zich heeft teruggetrokken op de rots, heeft Zig de nacht opgezocht. De nacht brengt hem zijn jeugd, zijn kracht en de wijsheid om door te gaan op het pad van de lynx. Joji en Bea hebben samen het kampvuur opgezocht. Ze voelen zich verbonden als de twee nieuwste wezens van Lincei. In hun verwondering, maar ook in hun gevoel van vrijheid en thuis-zijn.


Joji: Het is bevrijdend om niet te weten wie je bent. Ik weet niet wie ik was maar ik voel wel wát ik was: ik was bang. Toen ik hier net uit de grond kwam voelde ik dat ik bevrijd was van iets.

Joji zucht en staart een tijdje in het vuur in het vuur voor ze vervolgt: Maar ik las de brief en voelde het weer… de angst en het onbegrip.


Bea: Ja… dat had ik ook. Ik besefte net dat ik hier ben gekomen op een moment dat ik het niet meer zag zitten. Die machteloosheid... Zouden we dat allemaal gemeen hebben, die machteloosheid? Degenen die hier zijn.


Joji: Maar wat hebben we er dan aan nu? Ik zag alleen in een flits de donkerte waar ik vandaan kom. Ik snap niet waar we dan nu heen moeten. Wat doen we hier?


Een stuk hoger dan het kamp en het kampvuur waar Bea en Joji zitten, aanschouwt Zaga met haar ogen dicht wat er gaande is. Ze begint de lynx te begrijpen. Ze ziet de verwarring bij Bea en Joji. Ja, de groep is er. Maar de groep is er nog niet klaar voor. De lynx is nog aan het werk, op zoek naar de missende sleutel om de groep tot het krachtenveld te maken die nodig is om de taak uit te voeren.


---


De volgende ochtend wekt Zig, weer jong, fit en aanwezig, de reizigers. Ze verzamelen zich in een cirkel.


Zig: Ik heb met Zaga gesproken. We gaan jullie vertellen wat wij weten van jullie tijd op aarde en waarom jullie hier zijn gekomen. We moeten onze krachten bundelen om te bedenken hoe we de mensen op aarde laten inzien dat zij goed voor de aarde moeten zorgen. Zoals jullie misschien al weten, verplaats ik mij door tijd en ruimte. Zoals jullie denk ik niet weten, kan ik dit ook delen. Ik laat jullie iets zien. Sluit je ogen.


“Hoe kan het toch dat mensen niet beseffen dat wij mensen de aarde onleefbaar maken? Hoe kan het toch dat mensen zichzelf belangrijker vinden dan de aarde en de dieren? Of anders, op zijn minst de generaties na ons? Hoe kan het dat steeds meer mensen juist een hekel krijgen aan ‘klimaat’? Als ik hieraan denk voel ik de machteloosheid heb ik zin om het op te geven. Het voelt alsof ik alleen kan kiezen tussen vechten tegen al die naïviteit of zelf ook vluchten door mijn kop in het zand te steken. Ik voel de neiging om te vluchten en ook gewoon te leven alsof er niks aan de hand is. Ik wil ook wel drie keer per jaar op vliegvakantie, vlees, kaas en vis eten zoveel ik wil en elke week nieuwe spullen in huis halen. Als ik dat toch eens kon, zonder te denken aan moeder aarde, zou mijn leven zo makkelijk zijn. Het vervult me niet alleen met angst, ook met onbegrip en woede. Walging zelfs. Hoe kunnen mensen zo zijn?”


Bea: Maar… dat… dat ben ik. Toch? Ik ken degene die daar loopt. Ze voelt zo vertrouwd, zo eigen, en toch weet ik het niet zeker. Maar ik denk het echt. Ik ben dat, toch?


Zig: Klopt, Bea. Ik heb jou gezien daar. We gaan verder. Sluit je ogen weer.


“Zo hard nadenkend dat ik mijn gedachten bijna letterlijk kan horen. Wat moeten we nu? Hoe krijgen we mensen allemaal weer met de neuzen dezelfde kant op? Het is crimineel dat mensen nu niét bezig kunnen zijn met moeder aarde. We moeten de barricades op! We moeten langs de deuren. Iedereen moet het weten: de aarde gaat eraan!”


Joji: Tja… dan ben ik dit. Ik voel het meteen.


Bea: Dus wij zijn hier omdat wij ons wél zorgen maakten om de aarde? Omdat wij de aarde wél beter wilden maken. Alleen we wisten… weten niet hoe.


Joji: Nou, ik had best veel plannen zie ik… En toch voelde ik me machteloos.


Caeruleum begint de snuiven en met zijn voorste voet in de grond te graven. Zig kijkt naar hem en snapt het.


Zig: We moeten door. Cearuleum heeft een volgende bestemming.


Op afstand van de groep lag Okami geduldig te wachten. Maar op dit signaal van Zig springt hij op en laat een luide huil horen. Eindelijk! Aan het werk.



Ik word wakker en zie dat ik onder een boom lig. Vlak boven mijn hoofd ritselen een heleboel bladeren in een zachte bries heen en weer. Ik lig op de grond dus de takken van de boom zijn vlakbij de grond. Ik sta op, een beetje versuft, en zie dan dat het een treurwilg is. Ik lag te slapen onder een treurwilg? Ik bekijk de boom. De grote bast met diepe rimpels doet me ergens aan denken. De rimpels lijken wel een soort gezicht te vormen. Grappig. Met mijn armen haal ik de hangende takken opzij zodat ik buiten de boom kan kijken. Ik zie een landschap dat ik niet herken. Waar ben ik?

Als ik nog wat takken opzij haal om het beter te kunnen zien, zie ik mijn armen. Mijn huidskleur verbaast me en ook de vorm ziet er gek uit. Al weet ik niet of die verbazing komt doordat ik er eerst anders uit zag. Ik herken het nu in ieder geval niet als ‘van mij’.

Mijn ogen gaan terug naar mijn omgeving. Wat is dit voor plek? Ik zie veel groen en een beekje, maar geen gebouwen. Leeft hier niemand? Ik voel paniek opkomen: hoe blijf ík hier dan leven?

Ik ga naast de beek zitten. Ik heb dorst maar ik voel een hoge drempel bij drinken uit een beek. Het lijkt me smerig. Ik kijk een stukje stroomopwaarts. Hoe weet ik of ik hieruit kan drinken? Ik heb zo’n dorst. Ik ga toch maar lopen en hopen dat ik ergens een kraan tegenkom met drinkwater. Er zal hier vast een dorp zijn.


Zig ziet de nieuwe gast naderen. Van Zaga begreep hij dat er een nieuwe gast zou komen en ze hebben hun best gedaan te achterhalen waar deze gast zou komen zodat Zig vooruit kon gaan om hem snel op te zoeken. De rest van de groep staat te trappelen om aan de slag te gaan dus hij wil deze gast snel bij de groep voegen. Hij zit op Caeruleum en heeft nog een paard bij zich.


Ik loop al een tijd en nog steeds geen water. Maar dan ineens in de verte… twee paarden. Op een van de twee paarden zit iemand. Een huivering trekt langs mijn rug. Ik heb niks met paarden. Ze zijn zo groot en zwaar. Een vage herinnering komt op van een paard die op mijn tenen staat op een plek waar heel veel paarden rondlopen. De machteloosheid van toen overvalt me nu weer. Ik wil niet naar die paarden lopen. Maar iets in mij trekt me er toch naartoe. Misschien dat er een mens op een van de paarden zit. Een mens met water?


Ik loop erheen maar het wordt niet duidelijker als ik dichterbij kom. Ik zie een jeugdige persoon met een oude blik. In zijn, of haar, ogen zie ik antwoorden en vragen tegelijk. Ik wil weg van dit onbekende wezen maar ik voel ook aantrekkingskracht.


Zig: Welkom beste reiziger! Ik ben Zig, dit is Caeruleum en dat is jouw paard. Je bent in het land van Lincei. Voor we kunnen gaan heb ik eerst deze brief voor je.


Jack pakt de brief van Zig aan, al blijft hij achterdochtig. Wat is dit voor gast?


Zig heeft tijdens het lezen zwijgend toegekeken, zonder oordeel. Als Jack klaar is vult hij de informatie aan.


Zig: we hebben inmiddels begrepen van de lynx dat jij de laatste schakel bent in dit verhaal. Jij bent wie we nog missen. Weet je inmiddels al een beetje waarom?


Jack: om eerlijk te zijn… ik snap er helemaal niks van. De aarde redden van het klimaatprobleem? Dat klinkt als klinklare nonsens. Dus nee. Ik heb geen idee waarom jullie mij nodig hebben.


Zig: jij vertegenwoordigt een belangrijke groep van de mensheid. Op aarde heb je veel geprotesteerd tégen klimaatdemonstraties. Het bloembollenbedrijf van jouw familie heeft de afgelopen decennia veel problemen gehad door de steeds veranderende milieuregels en jij bent je hiertegen gaan verzetten.


Jack: nou, dat klinkt alsof ik goed bezig was.


Jack probeert zijn nonchalante houding tegenover dit rare wezen vast te houden, maar er begint iets te dagen. Hij voelt weer de frustratie en onmacht. Hij ziet twee oudere mensen aan een keukentafel zitten, over hele bergen papierwerk gebogen. Hard hun best aan het doen om het bedrijf toekomstbestendig te maken, qua duurzaamheid maar inmiddels vooral ook financieel.


Zig blijft zwijgend naar hem kijken.


Jack voelt dan in een flits ook weer wat hij daar miste: bestaansrecht. Hij voelde zich op een gegeven moment alsof alles waar hij voor stond, wat voor hem belangrijk was, wat zijn cultuur en identiteit was, niet meer mocht bestaan in deze ‘moderne tijd’. Hij voelt de zwaarte en somberheid. Dat is het punt waarop Zig inhaakt.


Zig: we hebben allemaal ons verhaal en dat heeft ons hier gebracht. Iedereen mag bestaan op aarde. We moeten samen ontdekken hoe. Ga je met me mee?


Na de reis van Zig en Jack zit de groep voor het eerst compleet bij elkaar. Onwennig kijken de gasten elkaar aan. Joji en Bea voelen allebei dat er iets is met Jack. Met elkaar voelden ze een automatische klik, met Jack hebben ze dat niet. Waarom zou dat zijn? Tot nu toe was hun reis betoverend. Het Land van Lincei is prachtig en zit vol wonderen en aardige wezens. Wat moeten ze met deze stuurse man die hier is bijgevoegd en die niet de ontdekkende blik heeft die zo kenmerkend is voor wezens in Lincei?


Zaga: reizigers, we kunnen beginnen.

 
 
 

4e schrijver: Yvonne Schoutsen

Joji

Personage in de sterren
Joji

Zaga kende de vrouw met de gitzwarte haren uit een aantal voorspellende dromen die ze had gehad. Bea, de gezegende reiziger, met ‘blue velvet desert boots’. Bea zou naar het land van Lincei komen om de koers te bepalen. De koers om de verbinding op de aarde te herstellen, om de mensen daar wakker te schudden en de aardbewoners te herinneren aan het feit dat ze niet boven de natuur staan, maar er deel van uitmaken.


Bea had in Zaga’s droom de groene veters uit haar fluwelen schoenen gehaald. Ze had er in het midden aan getrokken tot de uiteinden uit de bovenste gaatjes van de schoenen floepten. Op dat moment leken ze langer te worden en Bea plukte verder. Vanuit het midden trok ze nog een keer aan de veters, die in de linkerschoen met haar linkerhand en die in de rechterschoen met haar rechterhand. Weer werden ze langer en ook dikker. Het werden koorden. De vingers van Bea leken te weten wat ze moesten doen. Ze haalden de twee veters in hun geheel uit de boots. Ze waren nu net zo breed en dik als een broekriem. Bea wist intuïtief wat ze daarmee moest doen. Ze koos een paard uit de groep met zwart-witte vlekken. Die had een koord om zijn nek met een volle fles water. Als ze die fles eraf gespte, konden de riemen eraan, om te sturen. Deze teugels zouden de hengst door het land van Lincei leiden. De harem zou volgen, alle twaalf paarden klaar voor een redder van moeder aarde.


Denkend aan die voorspellende droom, hoopt Zaga dat de paarden en Ōkami er vlug zullen zijn. Als zieneres weet ze dat Bea het juiste paard heeft uitgekozen, maar dat ze op de één of andere manier nog niet het geheim van de veters heeft ontdekt. De oorzaak was de stromende rivier die Bea tot dienst was in haar dorst. Ze had de fles niet nodig en die zat dus nog keurig om het koord van de zwart-witte hengst. Het paard had ook nog geen naam en daarom kon Bea zijn gedachten nog niet ‘horen’. Alleen dieren met een naam bezitten die verbindende kracht.


Zaga: Nu is Bea een band met Ōkami aangegaan. Ik weet dat Ōkami haar naar mij toe zal brengen. Laat ze snel zijn, alsjeblieft! Dan zal ik Bea de opdracht geven om de veters uit haar schoenen te halen. Ik zal haar ook vertellen dat ze de hengst een naam mag geven, zodat ze met hem kan communiceren.


Zaga weet dat alle paarden mee zullen draven naar de grot. Zonder groene teugels is de harem paarden stuurloos, maar haar wolf zal de dieren nu bij elkaar houden. Als Ōkami met de twaalf paarden arriveert, kan Zaga zelf ook een paard uitkiezen. Ook zij maakt deel uit van de missie van de Lynx. Ze zullen met behulp van de routekaart en de groene teugels het land van Lincei doorkruisen. Wat kijkt ze daarnaar uit. Als deze missie slaagt, is de aarde gered! Zaga sluit haar olijfgroene ogen voor een gelukzalig moment. Ze is al zó ontzettend lang in het land van Lincei dat ze de aarde alleen nog in haar verbeelding kan zien. Achter haar gerimpelde oogleden is het er allemaal nog. Maar als ze Zig hoort praten, dringt de tijd op aarde.


Op dit moment is Zig op moeder aarde voor een observatie. Zig is de boodschapper tussen twee werelden en kan altijd heen en weer. De lynx heeft hem daarvoor uitgekozen. Zig is in alles tweezijdig. Hij is zowel mannelijk als vrouwelijk en hij is oud en ook jong. Als een balletdanser beweegt Zig zich tussen de aarde en het dorp. Dat dorp is in het land van Lincei en daar heeft Zig een atelier. Zig timmert en creëert en weet met alle houtsoorten raad. Hij gebruikt alleen het hout van oude exemplaren die zich nuttig willen maken en zorgt daarnaast voor de aanplant van nieuwe bomen. Zig heeft energie in de ochtend en in de avond is hij moe. Hij kan niet eten, maar wel drinken en hij leeft van ahornsap, die hij zelf oogst. Achter zijn timmeratelier is de boomgaard met twaalf grote suikeresdoorns. Deze esdoorns staan vooraan te pronken, net voor de muren van de binnentuin. Als je het dorp uitrijdt en de heuvels passeert, zie je de veelzijdigheid van boomsoorten in het landschap. Als Zig nieuwe boompjes plant, doet hij dat aan de randen van het bos. De zaden haalt hij uit alle werelddelen op aarde en zo is het land van Lincei een groot reservaat. Er zijn minstens twee bomen van elke soort. De ritjes van het atelier naar de bosranden van Lincei, legt Zig af op de rug van zijn trouwe merrie. Ze zijn onafscheidelijk, het paard met de blauwe ogen en haar berijder. Als Zig naar de aarde gaat, is Caeruleum in de natuur. Als Zig terugkeert naar Lincei, navigeert hij naar de blauwe ogen van Caeruleum. Hij komt dáár terecht, waar Caeruleum zich bevindt.


De zon is net ondergegaan en in het westen staat een geeloranje gloed aan de einder. De sliertvormige stoet dieren beweegt zich oostwaarts door het landschap. De avond brengt verkoeling in de Linceilanden. De grot waar Zaga ligt te mijmeren is nog een paar mijl verderop. Bea weet niet hoe ver nog, maar haar rug voelt stram en haar dijen doen zeer. Ze wil heel graag pauzeren, maar de paarden draven door. De wolf loopt voorop met zijn neus in de wind. Met het blote oog is Ōkami niet te zien, maar gedurende de dag liepen de twaalf paarden de hele tijd achter hem aan. Het was een machtig gevoel om over de vlakte te rijden, met de wolf als gids en ze weet dus dat hij daar vooraan loopt, deze bijzondere wolf. Bea huivert even als ze zich realiseert dat ze hier de enige mens is, in de vallende duisternis, op de uitgestrekte prairie.


Bea: Oh Ōkami, ik kan niet meer. Kunnen we niet heel even stoppen en op adem komen? Ik weet dat Zaga op ons wacht, maar het is al donker en ik heb spierpijn en dorst.


Als een trouwe viervoeter reageert Ōkami op haar wens. Alle paarden komen tot stilstand als hij zijn pas plots inhoudt en na het remmen zijn soepele voorpoten strekt. Bea valt bijna van de rug van haar zwart-witte paard, omdat hij woest zijn lange manen schudt.


Bea: Ho Zebra! Laat me even afstappen eerst. Je bent me er eentje; ik lag bijna op de grond.


Als de zwart-witte hengst de naam hoort, die zijn berijder hem geeft, houdt hij zijn hoofd meteen stil. Alsof hij een commando opvolgt. De fles aan het hals-koord schudt nog driftig van links naar rechts. Ōkami laat van zich horen met een enorme uithaal.


Ōkami: Woeeehoe-oe-oe-oe!


Op hetzelfde moment komt Zig terug van moeder aarde. Hij staat daar doodleuk naast Caeruleum alsof hij de ganse dag met het gezelschap heeft gereisd.


Bea: Wat gebeurt hier? Ben jij er ook weer, Zig??

Ik moet nú een slok water!


Bea stapt van het paard af, dat ze net plagend Zebra heeft genoemd. Niet alleen vanwege zijn kleuren, maar vooral door zijn ferme ronde bilpartij. Als Bea de fles van het koord om zijn hals af wil draaien, ziet ze hem daaraan bengelen alsof hij haar waarschuwen wil.

Zwiep.

Zwap.

Zwiep.

Zwap.

Bea negeert het heen-en-weer-gezwaai van het voorwerp, omdat zij niet weet dat het aan de gesp hangt, waaraan de groene teugels moeten worden bevestigd. Als ze straks bij Zaga is, zal dat duidelijk worden, maar nu is ze dorstig en vermoeid. Allen staren haar aan als ze een slok neemt uit de fles. Ze bevinden zich in een beekdal in de Lincei-vallei. De tien paarden zonder naam vormen een halve kring. Ōkami staat aan kop, met zijn neus in de richting van de mergelgrotten. Hij kan Zaga al ruiken. Zij wacht hem op in de grot van de waarheid. Ōkami wil dóór!


Ōkami: Ik ben meer dan klaar om te gaan. Ik zal netjes wachten tot Bea en Zig weer op hun paarden zitten. Maar schiet in kami’s naam op! De nacht is al gevallen en Zaga wacht met smart.


Zebra en Caeruleum staan in het midden van de lange sliert paarden die een halve cirkel vormen. Er staan vijf paarden naast Zebra en nog eens vijf naast Caeruleum. Tussen hen in is een graspol: een verhoogde bult aarde met een paar pluimen groen.

Daar beweegt iets krachtigs uit omhoog en helemaal niemand merkt het op.

Zoals de bovenkant van een cake na zestig minuten in de oven, zo stuwt de grond omhoog. Er ontstaat er een scheur in de beemd, waaruit een krachtig stel armen verschijnt, die een krap colbertmouwtje op spanning zetten.


Ik: Een wolf! Wolvengehuil! Hoorde ik dat nou goed zojuist? Waar ben ik?


Alsof ik door een tunnel schoot als een bliksem met de snelheid van het licht. De felle kleuren die op me af kwamen deden pijn aan mijn ogen. Nu is het eindelijk donker en kan ik mijn ogen open doen. Mijn benen zitten klem, maar mijn armen hebben de ruimte. Ik grijp opzij en voel zachte kluiten aarde en een paar lange sprieten, die dunner zijn dan mijn vingers. Ze ruiken aangenaam, wat kruidig en boven me is de donkere lucht. Voor mij, tussen het gras, staan bonkige potjes. Daarboven groeit haar. Het zijn hoeven van dieren met knokige enkels. Ik zet mijn onderarmen op de vaste grond en trek me op door aan mijn ellebogen te gaan hangen. Met knieën en voeten zet ik me af aan de afbrokkelende kleigrond. Een grote groep paarden staat in een kring om me heen.


Caeruleum staart naar beneden en knijpt haar ogen goedmoedig toe. Alsof de jongen die zich uit de grond wurmt, wordt verwacht. Wanneer de andere paarden rustig in de halve kring blijven staan, is er één schel geluid. Bea slaakt een gil en kijkt hulpeloos vragend naar Zig. Zig reageert meteen met een stap in de richting van het gat. Hij biedt de nieuweling zijn uitgestoken hand en helpt hem aan zijn arm omhoog, in de richting van het paard met de koker. Die draagt het sieraad met de gekleurde steentjes en kijkt vurig naar de ietwat kleine jongeman met sluik haar in een ruiterkostuum.


Zig: Goedenavond, beste jongen. Wees niet bang. Ik ben Zig en dit is Bea en onze dieren doen je niets. In deze koker zit een brief voor jou. Lees hem alsjeblieft eerst, zodat alles duidelijk wordt. Ik zal je bijschijnen met een lucifer van vurenhout.


Omdat hij geen dreiging voelt, maar ook niets van de situatie begrijpt, doet de jongeman maar gewoon braaf wat deze sierlijke figuur van hem vraagt. Hij leest de brief zonder zijn stem te gebruiken en alle aanwezigen staren naar de vlam, die van de lucifer komt. Die brandt zo’n tien seconden en dooft dan uit. Het verspreidt een indringende maar heerlijke geur. Zig strijkt een tweede exemplaar aan. De vonk met zwavelspatten doet de nieuweling terugdeinzen. Er trekt een siddering door de zwoele vallei, alsof de paarden gezamenlijk een ‘electric boogaloo’ opvoeren. De jongeman stapt weer op de vlam af, om de laatste zinnen van de brief te lezen. Daarna kijkt hij om zich heen om tussen de paarden Caeruleum te zoeken. Het paard met de blauwe ogen heeft het zakje met letters om haar hals. Alsof het een geheim ritueel betreft, houden alle aanwezigen hun adem in. Hoe zou de nieuweling heten? Er is een derde lucifer nodig en dan begint de jongen te spreken.


Joji: dat is mijn naam.


Daarop neemt Bea het woord en steekt haar hand uit naar de nieuwe reiziger. Ze praat hem bij over hun rit, die naar Zaga leidt in een grot. Een grote witte merrie steekt haar neus omhoog. Joji loopt op haar toe en knoopt zijn jasje los. Hij trekt het uit en houdt het in zijn hand en zet zijn voeten keurig netjes naast elkaar. Met half gesloten ogen buigt hij zijn bovenlijf voor het ranke dier met de witte manen, die naar rechts lijken gekamd.


Joji: Yoroshiku onegai shimasu.


In het gebaar van Joji zit geen onderdanigheid. Het is eerder een kennismaking vol respect voor het edele dier dat voor hem staat. Zoveel groter dan hij, een Lipizzaner merrie. Ze biedt haar rug aan als antwoord en de nieuwe reiziger stijgt op. Hij doet dat verrassend soepel voor zijn lengte, hij heeft dit vaker gedaan. Hij trekt zijn jasje weer aan en knikt kort naar Zig.


Joji: Wat mij betreft kunnen jullie je weg vervolgen. Ik pas me aan en rijd mee naar de grot. Ik weet niet hoe ik jullie moet bedanken, voor dit hemelse welkomstcomité.


Ōkami weet niet hoe vlug hij zich uit de voeten moet maken en alle paarden draven hem gewillig achterna. Oostwaarts gaan ze, naar de grot van de waarheid. Aan de hemel trekt een sterrenregen als een serie pijlen naar beneden. Ze verlicht een grote donkere bergmassa aan de horizon.


Joji krimpt een ogenblik in elkaar wanneer hij de korte lichtflits in de donkerte ziet. Het brengt hem terug in gedachten naar een draaikolk met fonkelende kleuren. Wat heeft hij een donkerte gevoeld voordat hij daarin terechtkwam. Hij heeft geen idee wáár hij vandaan is gekomen. Waar is hij in vredesnaam van weggevoerd? De lynx had hem hier heen geleid. Is dit de hemel?


Ook Bea ziet de sterrenregen. Het spreekt vanuit de verte tot haar. Ze krijgt een ingeving, een beeld. De lichtscheut brengt haar een herinnering aan haar leven op aarde. Het is niet in woorden te vatten, maar ze ervaart een gruwelijk leeg gevoel. Zinloosheid. Een wens om te verdwijnen. Ze staat op een spoorwegovergang. In de verte het gedender van de wielen van de trein. En dan een dier. Snel en lenig. Het springt uit de bosjes en trekt haar van het spoor. Ze ligt op veilige afstand van de rails als de machinist de claxon laat horen en zij (als in een film) in de ogen van de lynx staart en verdwijnt.


Bea geeft Zebra een kleine tik tegen zijn flanken, met de fluwelen schoenen, en natuurlijk niet te hard. Ze probeert naast Zig en Caeruleum te komen, zodat ze hem iets kan vragen.


Bea: Zeg Zig, mag ik jou iets vragen? Ik heb met Ōkami van gedachten gewisseld en ben veel te weten gekomen. Zo heeft hij me verteld over Zaga en over haar komst naar Lincei. Ze wilde van een brug af springen en werd gered en mij is iets vergelijkbaars overkomen. Er zitten tientallen jaren tussen, maar het is wel heel bijzonder. Zou de nieuwe, deze Joji, ook een bijna dood-ervaring hebben gehad?


De maan is nog dunner dan een glimlach en Zigs gezicht is nauwelijks zichtbaar. Maar zijn stem klinkt krakerig en bedachtzaam, als hij Bea antwoordt op haar vraag.


Zig: Het is niet voor niets. Zoals je zegt. En ook Joji is in het oog van de lynx gedoken en nét niet gestorven, zoals jij.


Bea: Waaróm krijgen wij een tweede kans van de lynx? Waarom zijn uitgerekend wij uitverkoren?


Zig: Dat zal duidelijk worden. Later. Voor nu telt alleen dit moment. Mijn krachten nemen af. Ik moet slapen. Daar is de grot al, kijk, daar staat Zaga naast het vuur.


Zaga: ŌKAMI! Mijn wolfie, je hebt de gast hier gebracht!


Ōkami : RRR… en nog een ander. De nieuwe lag drie mijlen terug in de beemd.

 
 
 

© 2023 by Orde & Chaos 

bottom of page