Het land van Lincei: Nour

5e schrijver: Paula van Loenen
Het is donker en koud. Ik lig op een harde ondergrond en alles doet pijn. Heb
ik geslapen en droom ik nog? Ik sluit mijn ogen weer. Ik ben niet van het
donker, ik ben meer van het licht en de zon. Als het zwakke maanlicht
tevoorschijn komt zie ik vaag takken en bomen. Waar ben ik? Het is zo stil, zo
stil is het in mijn beleving lang niet meer geweest. Ik voel langs mijn pijnlijke
lichaam en ontdek iets van mijzelf. Mijn hoofd met half lang haar, een trui die
wollig aanvoelt, benen in broekspijpen en stevige schoenen aan mijn voeten.
Gelukkig stevige schoenen, daar hecht ik aan. Ik moet straks, zodra het kan, uit
dit bos naar het licht. Ik schuif een klein stukje opzij en voel een zacht stukje
mos waar ik op kan liggen.
Ik moet geslapen hebben want ineens is er iets meer daglicht. Ik probeer tegen
een boom te gaan zitten. Het gaat moeizaam maar het lukt. Het lijkt wel of ik
uit de lucht naar beneden ben gevallen. Gelukkig is er niets gebroken.
Dan wordt de stilte ineens doorbroken. Ik kijk om me heen maar kan niet
ontdekken wat het geluid is en waar het vandaan komt. Ik hou me stil en kijk
door de bomen. Vast een dier dat net zo nieuwsgierig is als ik ben. Er is geen
dier te zien maar als ik nog eens goed kijk zie ik tot mijn schrik een man. Hij zit
op een afstandje van mij, tegen een boom. Hij kijkt naar mij en ik kijk terug. Als
ik beter kijk zie ik dat het meer een jongen is dan een man.
We kijken alleen en zeggen niets. Het gekke is dat dit me niet verontrust, het
voelt veilig. Dan verschijnt er een glimlach op zijn gezicht. Voorzichtig lach ik
terug. Misschien kan hij me helpen schiet het door me heen. Hij staat op en
loopt langzaam naar me toe, en hurkt neer. Hij wijst op zichzelf
"Eye" zegt hij. Hij spreekt een voor mij vreemde taal die ik, gek genoeg, toch
versta. "En jij?" vraagt hij. Ik schud mijn hoofd en zeg:
"ik weet niet hoe ik heet, raar maar waar".
Nu hij dichterbij is kan ik hem beter bekijken. Het is inderdaad een jongen.
Donker haar, donkere kleding en ongeveer net zo groot als ik ben. Ik probeer te
gaan staan maar voel me nog wankel. Hij geeft me zijn hand als steun. Samen
gaan we het bos uit en ondanks al mijn vragen over deze rare gewaarwording
lijkt het zo te horen. We gaan naar het licht. Ik ben nog stram maar we lopen
heel rustig, hij past zich aan.
Als we bij de rand van het bos komen is er weer licht en kleur. Er loopt een
rivier door het mooie landschap en daar lopen we naar toe. Misschien kan ik
daar wat drinken. Eye zegt dat het veilig is om het water te drinken, het is
helder en heerlijk fris. Ik schep wat water met mijn handen en drink gulzig. Dan
ontdek ik een bandje om mijn pols, er staat iets op. Ik lees "Nour"! Oke,
eindelijk een teken. Ik wijs op mezelf en zeg
Nour: ”ik denk dat ik Nour heet". "Nour betekent licht en daar hou ik van"!
Eye snapt het. We spreken niet dezelfde taal maar we begrijpen elkaar goed.
Zo zittend aan de oever van de rivier zorgt de warmte van de zon ervoor dat ik
me beter voel. Tegelijkertijd spoken er nog steeds allerlei vragen door mijn
hoofd. Waar zijn we hier en waar kom ik vandaan?
Eye: "Waar jij vandaan komt weet ik niet maar dit is het land van Lincei".
Nour: Het land van Lincei?
Eye:" Ja waar ik woon leven we met en van de natuur. Iedere bewoner heeft zijn
eigen taak. Je doet waar je goed in bent en dat is je bijdrage aan elkaar. We
leven in harmonie en en alles gaat in samenspraak en overleg ".
Als ik naar zijn verhaal luister denk ik aan de vredige stilte in het bos. ik voel
me verward, er flitst een andere wereld door mijn gedachte. Kom ik daar
vandaan? Pfff ik geef me voorlopig maar over aan deze wonderlijke, mooie
wereld van Eye.
Eye:" Zal ik je laten zien waar ik woon? Ik was eigenlijk op zoek naar de
paarden maar misschien hebben de anderen ze inmiddels gevonden".
Mijn nieuwsgierigheid is groot. Liggen daar de antwoorden op al mijn vragen?
Nour: ”Oke, ga jij maar voor, ik voel me al een stuk beter gelukkig".
We lopen eerst een stukje langs de oever van de rivier tot Eye stilstaat bij een
ondieper gedeelte. Hier waden we naar de overkant dan langs wat struikgewassen, bossages. Eye kijkt even achterom en vervolgt dan zijn weg. het struikgewas
wordt dichter en we klimmen over enkele rotspartijen. Plotseling
stopt Eye en hij wijst in de verte, daar is zijn dorp.
Ik kijk tussen de plooi van gegroefde hellingen en zie een stuk bewoonde
wereld. Een dorp in een groene vallei met mensen, hutten, tuinen en akkers.
We gaan even zitten om uit te rusten en alles goed te bekijken. Dan, terwijl we
op een afstand naar het dorp kijken, komen er twee mannen aangelopen. Eye
vraagt mij even te wachten
Eye: ”het is mijn broer" en loopt de mannen tegemoet. Op een afstand
zie ik de mannen opgewonden praten en gebaren maken. Ze kijken ook mijn
kant op. Even later lopen de mannen richting het dorp en komt Eye naar mij
toe. Eerst zegt hij niets en kijkt mij alleen maar aan.
Nour: ”Is er een probleem?" vraag ik.
Eye: ”Niet echt een probleem maar wij waren vannacht alle drie op zoek naar
de paarden. Ik heb ze niet gevonden maar mijn broer wel. Deze paarden horen
namelijk bij de rivier. Zij leven hier al heel lang in vrijheid en wij weten niet
beter dan dat ze er zijn. Drie dagen geleden was een van onze vrouwen bezig
bij de rivier toen ze een lange vrouw met zwart haar bij de paarden zag staan.
Ze praatte tegen de dieren en het leek of zij ze in haar ban had. Ze gingen met
haar mee en sindsdien zijn de paarden weg.
Mijn broer heeft de paarden vannacht gevonden in de bergen, bij de lange
vrouw. Ze was niet meer alleen maar samen met nog twee andere vrouwen en
een man. De paarden waren nog met hen samen.
Nour: ”Ze zijn dus terecht?"
Eye:"min of meer wel, maar mijn broer vraagt zich nu af of jij een van hen bent,
ken jij deze mensen misschien Nour?
Nour: ”Nee, ik ken mezelf amper dus hoe zou dat kunnen?"
Eye: "Mijn broer is nu naar het dorp om te overleggen wat te doen.
Moeten ze contact leggen met deze groep? Hen vragen wat hun doel is? Ze uitnodigen in
ons dorp? Ze zagen er vredelievend uit al droeg een van de vrouwen een boog
om te jagen.
Eye: Wij jagen niet, de dieren om ons heen hebben net zulke rechten
als wij mensen. Wil je mee naar mijn dorp Nour''?
Nour: Heel graag Eye, ik zou niet weten waar ik anders heen moet. Ik ben heel
benieuwd en hoop dat de mannen een oplossing vinden om de paarden weer
bij de rivier te krijgen.




Opmerkingen