top of page

Het land van Lincei: Ginkgo

Personage Ginkgo uit Het land van Lincei
Personage Ginkgo uit Het land van Lincei

6e schrijver route C: May Verheyen


Stap voor stap, terug naar je voeten, adem en vergeet niet om je heen te kijken,

te ruiken, te luisteren…, zegt mijn innerlijke raadsvrouw.

Ja, makkelijk praten, ik een en al paniek, want hoe kom ik hier? Zegt dit

landschap iets over… mij? Ik heb een lijf, met zintuigen, maar is er binnenin

ook nog iets? Help!

Mijn ogen kijken naar de lijnen in mijn hand. Twee koude handen maken een

kom. Mijn mond blaast er warme lucht in. Dit ben ik?

En nu moet ik zeker stap voor stap verder langs de meanderende stroom naast

me? Ik weet niet eens hoe ik aan alle woorden kom die door me heen gaan!

Durf ik een paar steentjes in de golfjes te gooien? Tik, tik, tik

ik kijk naar de concentrische cirkels. Komen en gaan. O, alles zo ongrijpbaar en vluchtig.

Wat als ik met mijn vingers de lijnen van mijn gezicht volg, geeft dat houvast? Is

dat wie ik ben, mijn gelaat?

Ik zie dingen verschijnen-verdwijnen in het wateroppervlak. Als ik een stap

dichterbij zet, van het paadje af, is in dit lijnenspel dan ook mijn gezicht te

lezen? Durf ik wel te kijken? Nee!

Vergeet niet door te ademen, zegt mijn binnenvrouw. Je bestaat!

Zonder naam! Hoe kan ik dan echt bestaan…

Als ik me afdraai van het water en naar rechts kijk valt me op dat alles heel erg

mals groen is. Ontelbare kleuren groen, ontelbare vormen. Hier en daar een

kleur. Wilde bloemen. Wat een rijkdom. Maar wat heeft deze wereld met mij te

maken!

Nergens een herkenningspunt. [Herkenning?] Hoe kun je zo… léven! Vraag me

niet om in deze staat weer terug te draaien naar het water en de overkant in

ogenschouw te nemen.

Stap voor stap. Adem.

Even omhoogkijken durf ik wel. Schapenwolkjes, vogels die zich erdoorheen

weven.

Kettingdraden, inslag – sprong.

Hoelang ben ik nu al onderweg? Ik wil een verhaal, een lijn die punten

verbindt, een richting. Net als die vogels daar in de lucht. Ga ik ergens heen?

Of beweeg ik mij eindeloos aan de rand van iets, in limbo...

Het licht danst overal doorheen. Binnen en buiten, alles één organisch weefsel.

Niets gaat verloren.

Dus mijn ‘ik’ moet ergens gebleven zijn? Waarom voel ik me dan zo zonder, zo

kaal en afgesneden? Niemand kijkt me aan. Niemand roept me. Ik heb geen

naam!

Wie zegt dat je omgeving niet met jou meebeweegt, jou aankijkt, jou noemt,

zegt mijn intuïtievrouw. Wie weet houden zich ook ergens medemensen op.

Ik zucht en ben niet van plan nog een stap te zetten. Dan maar naamloos dood.

Diep in je weet je dat je met alles in en om je heen verweven bent. Je bloed, je

cellen, je moleculen weten het. Je hart en ziel. De vogels weten het ook.

Ja, en de golven, de vissen, spinnen, boomwortels, zwammen, wormen,

virussen. Eten of gegeten worden! Ontstaan-vergaan.

[Waar heb ik dát nou weer vandaan?]

Alles hier is op elkaar ingespeeld. Een orkest. Ook daarginds aan de overkant.

O, nou is zeker het moment gekomen dat ik naar die andere oever moet kijken.

Doe ik niet! Het is daar donker, sinister. Hou ik niet van. Ik zie al genoeg af in

de veel te groene wildernis aan mijn kant. Niemandsland, overal. Mama!

[Mama?]

Je voeten!

Goed, hier onder mijn zere voeten, hier voor me ligt een paadje! Dat me

misschien wel, misschien niet een weg wijst. Dank je. De grijsblauwe golfjes

gaan dezelfde kant op als het paadje. Sommige stribbelen tegen, gelukkig maar.

Allemaal heel geruststellend.

Zelf zoek ik in de eerste plaats houvast. [Is paniek ook een soort houvast?]

En nog iets: stel dat dit ene paadje er speciaal ligt voor míj, dat ik de

aangewezen persoon ben om het te belopen…

Goed, ik waag het erop, ik durf het al: stap voor stap, en soms gewoon stilstaan.

Vreemd, een getril in de grond onder me. Zelfs de golfjes zijn in rep en roer.

Vanuit het hoger gelegen groen aan mijn rechterkant rolt er ineens met veel

kabaal iets naar me toe. Pal voor mijn zere voeten ligt een grote ronde steen.

Toeval? Een teken? Schikgodinnen die mijn lot weven? [Schikgodinnen?]

Schering en inslag, sprong, mijn verhaal is begonnen?

Ik kniel neer en leg als vanzelf mijn hand om het gladde oppervlak van de

steen. Net een warm babybolletje. [Hoe kom ik aan dit beeld?]

Dat een steen zo troostrijk kan zijn – en neerknielen op de aarde ook. Simpel.

Ik blijf zo een hele tijd zitten. Hoelang?

Het licht begint feller te worden. De zon kaatsebalt met het water, de golfjes

spatten en schitteren. Parelsnoeren overal.

In één enkele druppel de hele schepping.

De druppel rolt verder… O, dat alles zo vluchtig is…

Een en al energie. Een dans – golfjes, parels, kettingdraden, de ruimte ertussen:

sprongen.

Ik spring, dus ik besta. Maar dan wil ik onderhand wel een naam! En iemand

die mij roept! Het babyhoofdje is lief warm maar houdt zich stom.

Ik hoor ineens een gehinnik aan de overkant van het water. Waag ik het van

mijn stukje aarde en mijn steen op te kijken? Durf ik mijn nek uit te steken naar

de andere oever?

Eén, twee, drie. [Ik tel?]

O nee, tot zover mijn blik reikt zwartgeblakerde boomskeletten. Een macabere

wereld vol roetdeeltjes. Waarom moet ik dit zien! Destructie, chaos. Wie weet

liggen er overal mijnenvelden. [Mijnenvelden?] En dáár komt dat gehinnik

vandaan? Vast een roetzwart paard.

Ik barst in tranen uit, met mijn handen voor mijn gezicht. Ik wil nooit meer

ophouden met huilen.

[Waar heb ik naar gekeken? Allemaal inbeelding? Zit dit landschap in mij?]

Strek je arm uit over het water en wijs met gespreide vingers naar de overkant.

Kijk beter. Zie jezelf staan in het geheel.

Wat een hoogdravend gedoe. Alleen uit vrije wil zou ik zo gaan staan. [Heb ik

een vrije wil dan? Of is die samen met mijn ‘ik’ verdwenen?]

Ik adem diep in en uit.

Oké, op het gevaar af dat alles hier één grote samenzwering is. Of een

zinsbegoocheling. Sta ik hier wel? En stel dat ik ook nog een spiegelbeeld heb!

Geen paniek. Voeten! Aarde!

Tot mijn schrik duikt er een mens op. [Hoe kan ik nou een mens herkennen?

Soortgenoot. Man, vrouw. Waarom voel ik dat ik zelf een vrouw ben?]

Jantje huilt, Jantje lacht.

Ik hoor mezelf lachen om de overkant-mens die zich zo te zien met plezier in

de dikke aslaag tussen de bomen doorrolt en nu naar me toe huppelt, verder de

heuvel af. Dat gehuppel voelt als een goed teken. Al sta ik zelf als aan de grond

genageld.

Nu zie ik aan de motoriek dat het een vrouw is. Ze kan ook praten, tegen het

roetzwarte paard en tegen mij!

Serien: Joehoe-oe-oe, roept ze grijs van de as.

Ik nog steeds als genageld.

Joehoe-oe-oe! Pak een paar stenen.

Hoezo stenen? Heb ik daar dan genoeg kracht voor. Weet ze wel hoelang ik al

onderweg ben! Met zere voeten. Anoniem.

De vrouw trippelt nu met al haar vingers in de lucht. Ik over dat water, is dat

haar voorstel? Via hoekige roetsj-stenen?

Ga gewoon, zegt de wijsneus in mij. Je bent onlosmakelijk met dit verhaal

verbonden. Het is één grote vertelling.

Van zoiets word ik nou pissig. Wat als ik liever stappen terugzet, het verhaal uit! Vraag me niet hoe ik vervolgens toch van steen naar steen over dat water ben

gekomen, hoe lang ik erover heb gedaan. Maar gaandeweg werd ik licht en

lenig, al heb ik er ook zere vingerkootjes aan overgehouden.

Naarmate de andere oever tastbaarder werd, begon ik ’m steeds meer te

knijpen. Tegelijkertijd was er iets wat mij telkens een duwtje gaf en keek ik

ernaar uit de gezichtsuitdrukking van de huppelaarster beter te lezen. Lachte

het gezicht mij toe? Keken de ogen me aan?

Ja! Wat een welkom.

Alsof ik langzaam wakker werd uit iets... Mijn ‘ik’ is misschien daar op dat

moment ontstaan.

Mijn koude voeten glibberden ondertussen verder over de stenen. Eenmaal over

de helft werd het water ondieper. Ik zag prachtige golflijnen en lichttekeningetjes op de rivierbodem bewegen. Alles danst en zingt.

Hoe zou mijn glimlach eruitzien? Ik heb mezelf nog steeds niet aangekeken!

Nu ik meer details ontwaar aan de overkant, verliest het leger stramme bomen

aan kracht. Tussen de verkoolde gestalten zie ik pluisjes zweven, ritmisch

voeren ze een muziekwerk uit. Boven de dikke aslaag zijn overal zaailingen

uitgekropen. En kijk, in de lucht erboven overal lammetjeswitte wolken.

Nu ik bijna aan land ben: wat bijzonder, twee ogen van een mens, twee van

een paard. Hemelblauw. Blikken van verstandhouding. Het roetzwarte dier doet

een stap naar voren, neemt een slokje rivierwater en begint aanstekelijk te

hinniken – niet alleen naar mij, naar álles.

Wat een verhaal!

Mijn binnenvrouw houdt wijselijk haar mond over wat er verder te gebeuren

staat.

Eenmaal aan land gekomen met natte koude voeten, reikt .. mij een fluwelen

zakje aan [net zo diepdiepblauw als haar ogen]. Het zakje heeft al die tijd om

de hals van het paard Caeruleum gehangen. Nu draag ik het bij me, terwijl we

met ons drieën kriskras tussen de verkoolde skeletten de heuvel op lopen.

Eerlijk gezegd strompel ik meer dan dat ik loop en stiekem vrees ik nog steeds

op een mijn te stappen. Ik weet ook al enige tijd niets te zeggen

– maar gelukkig voelt dat hier heel natuurlijk aan. Wat is de stilte weldadig. [Nou ja,

op alle lawaaierige insecten na en het geslof door de aslaag, het gekraak van

zwarte takken – en de constant ruisende, gonzende adem van de kosmos. Of

komt die uit het fluwelen zakje?]

Mijn aankomst in dit zo sinister ogende landschap is plechtig als een ritueel.

[Ritueel? Overgangsritueel?] Mijn schrikbeelden vervagen.

En het mooiste komt nog!

We laten de skeletten achter ons en klimmen verder omhoog naar een stokoude boom. Wat een wezen! In zijn nabijheid voel ik me op slag sensitiever worden.

Naast het gesuis van mijn eigen bloed, hoor ik de sapstromen in de boom en

het water dat in de houtvaten omhooggetrokken wordt, tot aan de jongste

knoppen. Jee, en wat moet zijn wortelsysteem onpeilbaar diep en omvangrijk

zijn – een bedrijvige onderwereld. Donker en licht. Dubbel en één.

Zou de vrouw naast me horen wat ik hoor? Zouden we echt met z’n allen

onderdeel zijn van één grote zichtbare-onzichtbare uitwisseling? Wat is dit voor

spel? Vertakkingen, schimmeldraden, parelsnoeren, zanglijnen…

Eén ding voel ik in hart en nieren: deze oeroude boom spiegelt mij niets voor,

die is echt, daar wil ik zijn. O, zijn verkreukelde bast aanraken, ’m omarmen,

op zijn bonkige voeten achteroverleunen onder zijn bladerdak.

De gespierde boom-armen zijn niet ongedeerd door de brand gekomen, zie ik

nu van dichterbij. Het vuur wilde ook op deze hoogte zijn slag slaan, maar

iedereen kan zien dat de boom geen vechtersbaas is en laat komen wat er

komt. Hij is gul en tegen onheil opgewassen. Wat zijn een paar schrammen,

breuken, brandplekken en kreukels na miljoenen jaren standhouden! [Tijd?] Zie

mij, ik ben weer uitgelopen, zwaai met mijn waaierblaadjes.

Ik schiet vol – dit keer van geluk. De boom ziet mij! Ik voel het tot in al mijn

vezels en kniel neer aan de voeten van deze majesteit.

Serien en Caeruleum slaan het rustig gade – alsof mijn devotie de normaalste

zaak van de wereld is.

Neergeknield, mijn blik langs de reuzenstam oprichtend, denk ik aan het

kosmisch blauwe zakje om mijn pols. Ik maak het open, voor mijn gevoel is dit

het juiste moment. De zes letters liggen nu op het mostapijtje tussen twee

boomvoeten. En… ik kan ze lezen! Zal ik proberen ze uit te spreken? Jee, weer

zo’n magisch moment, ik heb mijn naam gevonden: G-i-n-k-g-o.

Op het moment dat Serien mijn naam zegt, mij aankijkend alsof ik een pas

uitgesproten loot van de oerboom ben, uit hetzelfde hout gesneden, duikt er op

de top van de heuvel een groepje kleurrijke mensen op. Nee, nu geen

indianenverhaal! Joelend komen ze naar omlaag rennen. Met een troep

paarden in hun kielzog. Onze kant op. De paarden zijn door het dolle heen,

maar op een feestelijke manier, niet iets om bang van te worden. Het

gezelschap komt bij de boom tot stilstand en vormt een kring rondom ons

drietjes.

Ginkgo: Hartelijk dank iedereen, zeg ik tot mijn eigen verbazing. Nu ik de sprong

naar de overkant heb gewaagd, ben ik een stuk ongedwongener.

Welkom in Het land van Lincei! zegt een man die Bao heet.

Lincei?

Ja, waar ons nog een hoop sprongen, gedaantewisselingen en omkeringen

wachten, vult Nehir aan, de vrouw die als laatste de heuvel afdaalde, statig en

met een mand.

En dan is er Nour, die enthousiast ja-knikt en met de paarden naar de waterkant

loopt. Kom, wenkt ze ons.

Bea’s mooie gedragen vertellersstem zegt: Schuif het grote gordijn van de

schepping opzij en wat zie je? We zitten met z’n allen middenin het oneindige

verhaal dat leven heet.

En dat verhaal kan vele kanten op, voegt Bao daaraan toe. [Een tikkeltje

sardonisch?] Maar komt altijd op z’n pootjes terecht.

O ja, hoe dat zo, stribbel ik tegen in gedachten. [Tijd om mijn laatste restjes

drama queen te laten varen!]

Je kunt er niet uit vallen. Mijn leidsvrouw heeft altijd het laatste woord.

 
 
 

Opmerkingen


© 2023 by Orde & Chaos 

bottom of page