Het land van Lincei: 4e verhaal
- Orde&chaos
- 15 jan
- 10 minuten om te lezen
4e schrijver: Yvonne Schoutsen
Joji

Zaga kende de vrouw met de gitzwarte haren uit een aantal voorspellende dromen die ze had gehad. Bea, de gezegende reiziger, met ‘blue velvet desert boots’. Bea zou naar het land van Lincei komen om de koers te bepalen. De koers om de verbinding op de aarde te herstellen, om de mensen daar wakker te schudden en de aardbewoners te herinneren aan het feit dat ze niet boven de natuur staan, maar er deel van uitmaken.
Bea had in Zaga’s droom de groene veters uit haar fluwelen schoenen gehaald. Ze had er in het midden aan getrokken tot de uiteinden uit de bovenste gaatjes van de schoenen floepten. Op dat moment leken ze langer te worden en Bea plukte verder. Vanuit het midden trok ze nog een keer aan de veters, die in de linkerschoen met haar linkerhand en die in de rechterschoen met haar rechterhand. Weer werden ze langer en ook dikker. Het werden koorden. De vingers van Bea leken te weten wat ze moesten doen. Ze haalden de twee veters in hun geheel uit de boots. Ze waren nu net zo breed en dik als een broekriem. Bea wist intuïtief wat ze daarmee moest doen. Ze koos een paard uit de groep met zwart-witte vlekken. Die had een koord om zijn nek met een volle fles water. Als ze die fles eraf gespte, konden de riemen eraan, om te sturen. Deze teugels zouden de hengst door het land van Lincei leiden. De harem zou volgen, alle twaalf paarden klaar voor een redder van moeder aarde.
Denkend aan die voorspellende droom, hoopt Zaga dat de paarden en Ōkami er vlug zullen zijn. Als zieneres weet ze dat Bea het juiste paard heeft uitgekozen, maar dat ze op de één of andere manier nog niet het geheim van de veters heeft ontdekt. De oorzaak was de stromende rivier die Bea tot dienst was in haar dorst. Ze had de fles niet nodig en die zat dus nog keurig om het koord van de zwart-witte hengst. Het paard had ook nog geen naam en daarom kon Bea zijn gedachten nog niet ‘horen’. Alleen dieren met een naam bezitten die verbindende kracht.
Zaga: Nu is Bea een band met Ōkami aangegaan. Ik weet dat Ōkami haar naar mij toe zal brengen. Laat ze snel zijn, alsjeblieft! Dan zal ik Bea de opdracht geven om de veters uit haar schoenen te halen. Ik zal haar ook vertellen dat ze de hengst een naam mag geven, zodat ze met hem kan communiceren.
Zaga weet dat alle paarden mee zullen draven naar de grot. Zonder groene teugels is de harem paarden stuurloos, maar haar wolf zal de dieren nu bij elkaar houden. Als Ōkami met de twaalf paarden arriveert, kan Zaga zelf ook een paard uitkiezen. Ook zij maakt deel uit van de missie van de Lynx. Ze zullen met behulp van de routekaart en de groene teugels het land van Lincei doorkruisen. Wat kijkt ze daarnaar uit. Als deze missie slaagt, is de aarde gered! Zaga sluit haar olijfgroene ogen voor een gelukzalig moment. Ze is al zó ontzettend lang in het land van Lincei dat ze de aarde alleen nog in haar verbeelding kan zien. Achter haar gerimpelde oogleden is het er allemaal nog. Maar als ze Zig hoort praten, dringt de tijd op aarde.
Op dit moment is Zig op moeder aarde voor een observatie. Zig is de boodschapper tussen twee werelden en kan altijd heen en weer. De lynx heeft hem daarvoor uitgekozen. Zig is in alles tweezijdig. Hij is zowel mannelijk als vrouwelijk en hij is oud en ook jong. Als een balletdanser beweegt Zig zich tussen de aarde en het dorp. Dat dorp is in het land van Lincei en daar heeft Zig een atelier. Zig timmert en creëert en weet met alle houtsoorten raad. Hij gebruikt alleen het hout van oude exemplaren die zich nuttig willen maken en zorgt daarnaast voor de aanplant van nieuwe bomen. Zig heeft energie in de ochtend en in de avond is hij moe. Hij kan niet eten, maar wel drinken en hij leeft van ahornsap, die hij zelf oogst. Achter zijn timmeratelier is de boomgaard met twaalf grote suikeresdoorns. Deze esdoorns staan vooraan te pronken, net voor de muren van de binnentuin. Als je het dorp uitrijdt en de heuvels passeert, zie je de veelzijdigheid van boomsoorten in het landschap. Als Zig nieuwe boompjes plant, doet hij dat aan de randen van het bos. De zaden haalt hij uit alle werelddelen op aarde en zo is het land van Lincei een groot reservaat. Er zijn minstens twee bomen van elke soort. De ritjes van het atelier naar de bosranden van Lincei, legt Zig af op de rug van zijn trouwe merrie. Ze zijn onafscheidelijk, het paard met de blauwe ogen en haar berijder. Als Zig naar de aarde gaat, is Caeruleum in de natuur. Als Zig terugkeert naar Lincei, navigeert hij naar de blauwe ogen van Caeruleum. Hij komt dáár terecht, waar Caeruleum zich bevindt.
De zon is net ondergegaan en in het westen staat een geeloranje gloed aan de einder. De sliertvormige stoet dieren beweegt zich oostwaarts door het landschap. De avond brengt verkoeling in de Linceilanden. De grot waar Zaga ligt te mijmeren is nog een paar mijl verderop. Bea weet niet hoe ver nog, maar haar rug voelt stram en haar dijen doen zeer. Ze wil heel graag pauzeren, maar de paarden draven door. De wolf loopt voorop met zijn neus in de wind. Met het blote oog is Ōkami niet te zien, maar gedurende de dag liepen de twaalf paarden de hele tijd achter hem aan. Het was een machtig gevoel om over de vlakte te rijden, met de wolf als gids en ze weet dus dat hij daar vooraan loopt, deze bijzondere wolf. Bea huivert even als ze zich realiseert dat ze hier de enige mens is, in de vallende duisternis, op de uitgestrekte prairie.
Bea: Oh Ōkami, ik kan niet meer. Kunnen we niet heel even stoppen en op adem komen? Ik weet dat Zaga op ons wacht, maar het is al donker en ik heb spierpijn en dorst.
Als een trouwe viervoeter reageert Ōkami op haar wens. Alle paarden komen tot stilstand als hij zijn pas plots inhoudt en na het remmen zijn soepele voorpoten strekt. Bea valt bijna van de rug van haar zwart-witte paard, omdat hij woest zijn lange manen schudt.
Bea: Ho Zebra! Laat me even afstappen eerst. Je bent me er eentje; ik lag bijna op de grond.
Als de zwart-witte hengst de naam hoort, die zijn berijder hem geeft, houdt hij zijn hoofd meteen stil. Alsof hij een commando opvolgt. De fles aan het hals-koord schudt nog driftig van links naar rechts. Ōkami laat van zich horen met een enorme uithaal.
Ōkami: Woeeehoe-oe-oe-oe!
Op hetzelfde moment komt Zig terug van moeder aarde. Hij staat daar doodleuk naast Caeruleum alsof hij de ganse dag met het gezelschap heeft gereisd.
Bea: Wat gebeurt hier? Ben jij er ook weer, Zig??
Ik moet nú een slok water!
Bea stapt van het paard af, dat ze net plagend Zebra heeft genoemd. Niet alleen vanwege zijn kleuren, maar vooral door zijn ferme ronde bilpartij. Als Bea de fles van het koord om zijn hals af wil draaien, ziet ze hem daaraan bengelen alsof hij haar waarschuwen wil.
Zwiep.
Zwap.
Zwiep.
Zwap.
Bea negeert het heen-en-weer-gezwaai van het voorwerp, omdat zij niet weet dat het aan de gesp hangt, waaraan de groene teugels moeten worden bevestigd. Als ze straks bij Zaga is, zal dat duidelijk worden, maar nu is ze dorstig en vermoeid. Allen staren haar aan als ze een slok neemt uit de fles. Ze bevinden zich in een beekdal in de Lincei-vallei. De tien paarden zonder naam vormen een halve kring. Ōkami staat aan kop, met zijn neus in de richting van de mergelgrotten. Hij kan Zaga al ruiken. Zij wacht hem op in de grot van de waarheid. Ōkami wil dóór!
Ōkami: Ik ben meer dan klaar om te gaan. Ik zal netjes wachten tot Bea en Zig weer op hun paarden zitten. Maar schiet in kami’s naam op! De nacht is al gevallen en Zaga wacht met smart.
Zebra en Caeruleum staan in het midden van de lange sliert paarden die een halve cirkel vormen. Er staan vijf paarden naast Zebra en nog eens vijf naast Caeruleum. Tussen hen in is een graspol: een verhoogde bult aarde met een paar pluimen groen.
Daar beweegt iets krachtigs uit omhoog en helemaal niemand merkt het op.
Zoals de bovenkant van een cake na zestig minuten in de oven, zo stuwt de grond omhoog. Er ontstaat er een scheur in de beemd, waaruit een krachtig stel armen verschijnt, die een krap colbertmouwtje op spanning zetten.
Ik: Een wolf! Wolvengehuil! Hoorde ik dat nou goed zojuist? Waar ben ik?
Alsof ik door een tunnel schoot als een bliksem met de snelheid van het licht. De felle kleuren die op me af kwamen deden pijn aan mijn ogen. Nu is het eindelijk donker en kan ik mijn ogen open doen. Mijn benen zitten klem, maar mijn armen hebben de ruimte. Ik grijp opzij en voel zachte kluiten aarde en een paar lange sprieten, die dunner zijn dan mijn vingers. Ze ruiken aangenaam, wat kruidig en boven me is de donkere lucht. Voor mij, tussen het gras, staan bonkige potjes. Daarboven groeit haar. Het zijn hoeven van dieren met knokige enkels. Ik zet mijn onderarmen op de vaste grond en trek me op door aan mijn ellebogen te gaan hangen. Met knieën en voeten zet ik me af aan de afbrokkelende kleigrond. Een grote groep paarden staat in een kring om me heen.
Caeruleum staart naar beneden en knijpt haar ogen goedmoedig toe. Alsof de jongen die zich uit de grond wurmt, wordt verwacht. Wanneer de andere paarden rustig in de halve kring blijven staan, is er één schel geluid. Bea slaakt een gil en kijkt hulpeloos vragend naar Zig. Zig reageert meteen met een stap in de richting van het gat. Hij biedt de nieuweling zijn uitgestoken hand en helpt hem aan zijn arm omhoog, in de richting van het paard met de koker. Die draagt het sieraad met de gekleurde steentjes en kijkt vurig naar de ietwat kleine jongeman met sluik haar in een ruiterkostuum.
Zig: Goedenavond, beste jongen. Wees niet bang. Ik ben Zig en dit is Bea en onze dieren doen je niets. In deze koker zit een brief voor jou. Lees hem alsjeblieft eerst, zodat alles duidelijk wordt. Ik zal je bijschijnen met een lucifer van vurenhout.
Omdat hij geen dreiging voelt, maar ook niets van de situatie begrijpt, doet de jongeman maar gewoon braaf wat deze sierlijke figuur van hem vraagt. Hij leest de brief zonder zijn stem te gebruiken en alle aanwezigen staren naar de vlam, die van de lucifer komt. Die brandt zo’n tien seconden en dooft dan uit. Het verspreidt een indringende maar heerlijke geur. Zig strijkt een tweede exemplaar aan. De vonk met zwavelspatten doet de nieuweling terugdeinzen. Er trekt een siddering door de zwoele vallei, alsof de paarden gezamenlijk een ‘electric boogaloo’ opvoeren. De jongeman stapt weer op de vlam af, om de laatste zinnen van de brief te lezen. Daarna kijkt hij om zich heen om tussen de paarden Caeruleum te zoeken. Het paard met de blauwe ogen heeft het zakje met letters om haar hals. Alsof het een geheim ritueel betreft, houden alle aanwezigen hun adem in. Hoe zou de nieuweling heten? Er is een derde lucifer nodig en dan begint de jongen te spreken.
Joji: dat is mijn naam.
Daarop neemt Bea het woord en steekt haar hand uit naar de nieuwe reiziger. Ze praat hem bij over hun rit, die naar Zaga leidt in een grot. Een grote witte merrie steekt haar neus omhoog. Joji loopt op haar toe en knoopt zijn jasje los. Hij trekt het uit en houdt het in zijn hand en zet zijn voeten keurig netjes naast elkaar. Met half gesloten ogen buigt hij zijn bovenlijf voor het ranke dier met de witte manen, die naar rechts lijken gekamd.
Joji: Yoroshiku onegai shimasu.
In het gebaar van Joji zit geen onderdanigheid. Het is eerder een kennismaking vol respect voor het edele dier dat voor hem staat. Zoveel groter dan hij, een Lipizzaner merrie. Ze biedt haar rug aan als antwoord en de nieuwe reiziger stijgt op. Hij doet dat verrassend soepel voor zijn lengte, hij heeft dit vaker gedaan. Hij trekt zijn jasje weer aan en knikt kort naar Zig.
Joji: Wat mij betreft kunnen jullie je weg vervolgen. Ik pas me aan en rijd mee naar de grot. Ik weet niet hoe ik jullie moet bedanken, voor dit hemelse welkomstcomité.
Ōkami weet niet hoe vlug hij zich uit de voeten moet maken en alle paarden draven hem gewillig achterna. Oostwaarts gaan ze, naar de grot van de waarheid. Aan de hemel trekt een sterrenregen als een serie pijlen naar beneden. Ze verlicht een grote donkere bergmassa aan de horizon.
Joji krimpt een ogenblik in elkaar wanneer hij de korte lichtflits in de donkerte ziet. Het brengt hem terug in gedachten naar een draaikolk met fonkelende kleuren. Wat heeft hij een donkerte gevoeld voordat hij daarin terechtkwam. Hij heeft geen idee wáár hij vandaan is gekomen. Waar is hij in vredesnaam van weggevoerd? De lynx had hem hier heen geleid. Is dit de hemel?
Ook Bea ziet de sterrenregen. Het spreekt vanuit de verte tot haar. Ze krijgt een ingeving, een beeld. De lichtscheut brengt haar een herinnering aan haar leven op aarde. Het is niet in woorden te vatten, maar ze ervaart een gruwelijk leeg gevoel. Zinloosheid. Een wens om te verdwijnen. Ze staat op een spoorwegovergang. In de verte het gedender van de wielen van de trein. En dan een dier. Snel en lenig. Het springt uit de bosjes en trekt haar van het spoor. Ze ligt op veilige afstand van de rails als de machinist de claxon laat horen en zij (als in een film) in de ogen van de lynx staart en verdwijnt.
Bea geeft Zebra een kleine tik tegen zijn flanken, met de fluwelen schoenen, en natuurlijk niet te hard. Ze probeert naast Zig en Caeruleum te komen, zodat ze hem iets kan vragen.
Bea: Zeg Zig, mag ik jou iets vragen? Ik heb met Ōkami van gedachten gewisseld en ben veel te weten gekomen. Zo heeft hij me verteld over Zaga en over haar komst naar Lincei. Ze wilde van een brug af springen en werd gered en mij is iets vergelijkbaars overkomen. Er zitten tientallen jaren tussen, maar het is wel heel bijzonder. Zou de nieuwe, deze Joji, ook een bijna dood-ervaring hebben gehad?
De maan is nog dunner dan een glimlach en Zigs gezicht is nauwelijks zichtbaar. Maar zijn stem klinkt krakerig en bedachtzaam, als hij Bea antwoordt op haar vraag.
Zig: Het is niet voor niets. Zoals je zegt. En ook Joji is in het oog van de lynx gedoken en nét niet gestorven, zoals jij.
Bea: Waaróm krijgen wij een tweede kans van de lynx? Waarom zijn uitgerekend wij uitverkoren?
Zig: Dat zal duidelijk worden. Later. Voor nu telt alleen dit moment. Mijn krachten nemen af. Ik moet slapen. Daar is de grot al, kijk, daar staat Zaga naast het vuur.
Zaga: ŌKAMI! Mijn wolfie, je hebt de gast hier gebracht!
Ōkami : RRR… en nog een ander. De nieuwe lag drie mijlen terug in de beemd.




Opmerkingen