Het land van Lincei: Aunadi
- Orde&chaos
- 2 dagen geleden
- 9 minuten om te lezen

4e schrijver route B: Serena Janssen
De kou is het eerste wat ik voel. Geen snijdende kou, maar een heldere, stille kou die alles
wakker maakt. Mijn ogen gaan open en boven mij zie ik een lucht die zo blauw is dat het
pijn doet om ernaar te kijken. Ik lig half tegen een rotswand aan, op een smalle bergkam.
Onder mij verdwijnen de hellingen in wolken. Ik adem diep in. De lucht smaakt schoon.
Ik: ‘Dit is hoog… veel te hoog.’
Langzaam kom ik overeind. Mijn lichaam voelt licht, bijna te licht, alsof ik hier eigenlijk niet
hoor te staan. Ik draag een dikke, grijsgroene mantel die mij warm houdt. De stof voelt
vertrouwd, maar ik weet niet waarom. Aan mijn riem hangt een klein voorwerp dat zacht
tegen mijn heup tikt: een belletje, gemaakt van dof zilver. Bij iedere beweging klinkt er een
nauwelijks hoorbare toon. Ik kijk om me heen. Geen paden. Geen sporen. Alleen steen, sneeuw en stilte. En toch… ben ik niet bang.
Ik: ‘Ik ben hier met een reden.’
Die gedachte komt niet uit mijn hoofd, maar uit mijn borst. Alsof hij daar al langer zat te
wachten. Wanneer ik mijn hand tegen de rotswand leg, voel ik iets trillen. Niet de steen zelf, maar wat erachter zit. Herinneringen misschien. Of stemmen. Ik trek mijn hand terug. Nog niet. Het is nog niet de tijd. Ik begin te lopen, voorzichtig, mijn voeten vinden vanzelf houvast. Alsof ze de berg kennen. Onder mij opent het landschap zich en ik zie groen, bloemen, beweging. En dan zie ik ze. Paarden. Een hond. En drie mensen.
Op het moment dat een stem omhoog roept ‘Wie ben jij?’ blijft alles even stilstaan. De wind gaat liggen. De bel aan mijn riem zwijgt. Ik aarzel, maar weet dat ik moet antwoorden.
Ik roep terug, mijn stem draagt verder dan ik verwacht: Ik weet het nog niet.’
Ik zet een paar stappen naar voren, zodat ze mij kunnen zien. Op dat moment klingelt het
belletje zacht. De paarden reageren meteen: oren naar voren, onrustig maar niet bang. De
hond kijkt mij recht aan, alsof hij mij al kent. Ik voel hun blikken.
Ik: ‘Maar ik denk… dat Lincei mij ook heeft geroepen.’
Terwijl ik naar beneden loop, voel ik dat er iets in beweging komt. Niet alleen in mij, maar in
het land zelf. Alsof orde en chaos even ademhalen, precies hier, precies nu.
De berglucht trilt wanneer ik mijn stem gebruik. Alsof woorden hier zwaarder zijn dan elders. ‘Ik weet het nog niet.’
Mijn stem kaatst tegen de rotswanden en verdwijnt dan in de open ruimte. Beneden zie ik
beweging: paarden die hun hoofd optillen, een hond die stil blijft staan, alert. Drie mensen.
Twee op paarden, één daarnaast.
Ik zet een stap naar voren. Het grind onder mijn voeten schuift weg, maar ik verlies mijn
evenwicht niet. Mijn voeten weten waar ze moeten landen. Dat vertrouwen verbaast me niet eens.
Ik: ‘Ik denk,’ roep ik, iets zachter nu, ‘dat Lincei mij ook heeft geroepen.’
De stilte daarna is vol. Niet leeg, maar gespannen, alsof het land zelf luistert.
Dan zie ik haar duidelijker: de vrouw met het donkere haar en de blauwe schoenen. Ze zit
rechtop op haar paard, alsof ze precies hier verwachtte uit te komen. Haar ogen zoeken niet, ze herkennen.
‘Kom maar,’ roept ze. ‘Je staat veilig.’
Dat ene zinnetje breekt iets open in mijn borst. Ik begin af te dalen, stap voor stap. De
paarden blijven rustig, maar hun oren draaien mijn kant op. De hond komt een stukje
tegemoet, snuffelt aan de lucht en kwispelt dan voorzichtig.
Wanneer ik beneden aankom, sta ik ineens midden in hun kring. De andere vrouw
met dezelfde blauwe fluwelen schoenen als de eerste glimlacht breed, alsof ze blij is dat het plaatje nu klopt.
‘Hallo,’ zegt ze. ‘Ik ben Pix.’
‘Bea,’ zegt de vrouw op het paard. Ze stapt af en staat nu voor me.
‘En jij?’
Ik open mijn mond, maar er komt niets. Mijn hoofd is leeg op die plek waar een naam hoort te zitten.
Ik: ‘Ik… weet het niet. k ben wakker geworden in de bergen. Met stilte.’
Bea knikt, alsof dat precies het juiste antwoord is.
‘Dan hoor je erbij,’ zegt ze eenvoudig.
De man schiet in de lach.
‘Ja, dat klinkt bekend. Ik heet Maleq. Namen komen hier later.’
Pix komt dichterbij en kijkt naar het kleine belletje aan mijn riem. Ze tikt het zachtjes aan.
Het geeft een heldere toon, kort en zuiver. De paarden reageren meteen; één stampt zacht
met zijn hoef.
‘Dat is bijzonder,’ zegt Pix. ‘Alsof het land antwoordt.’
‘Het luistert,’ zeg ik, zonder na te denken.
Ze kijken me alle drie aan.
Bea glimlacht langzaam.
‘Dat zei de Lynx ook.’
Bij het horen van dat woord Lynx trekt er iets door mij heen. Geen beeld, geen draaikolk
zoals zij beschrijven, maar een diep weten. Alsof ogen, oud en goudkleurig, zich even
openen en weer sluiten.
Ik: ‘Ik denk dat ik niet gekomen ben om te zoeken.’
Maleq fronst. ‘Maar waarvoor dan wel?’
Ik kijk naar de bergen achter me, naar de bloemen voor ons, naar de paarden, de hond, deze mensen die ik net ontmoet heb en toch al ken.
Ik: ‘Om te luisteren, naar wat vergeten is.’
Bea legt haar hand even op mijn arm. Vast, warm.
‘Dan lopen we samen verder,’ zegt ze. ‘Mijn voeten weten de weg.’
Pix lacht.
‘En als ze twijfelen, vragen we het aan de paarden.’
De kudde zet zich in beweging, alsof dat het afgesproken moment was. De hond rent
vooruit, kijkt nog even om of ik meega. Ik loop mee. Zonder naam.
De berg laat ons niet meteen verder. Niet door steen of sneeuw, maar door stilte. Een stilte
die vraagt om aandacht. Bea staat al een paar passen verderop, Pix zit gehurkt bij Balou,
Maleq kijkt om zich heen alsof hij iets probeert te begrijpen dat net buiten woorden valt. Ik
blijf staan. Het belletje aan mijn riem klinkt niet, maar ik voel de trilling ervan in mijn borst.
Ik: ‘Ik heb nog geen naam,’ zeg ik hardop.
De woorden verdwijnen niet in de lucht. Ze blijven hangen, alsof de berg ze opvangt.
Pix kijkt op.
‘Dan is dit misschien de plek.’
Bea draait zich om. Haar ogen zijn ernstig, maar zacht.
‘De berg onthoudt wie hier staat. Misschien kan hij je ook… herkennen.’
Maleq loopt naar me toe en haalt een klein zakje tevoorschijn. Groen, verweerd, bekend ook al weet ik niet waarom.
‘Dit werkt omdat jij klaar bent,’ zegt hij.
Ik knik en steek mijn hand in het zakje.
Zonder te kijken. Mijn hand sluit zich om zeven letters.
Ik leg ze één voor één op de koude steen.
A U U N D I A
Ze liggen willekeurig. Of dat denk ik tenminste.
Dan voel ik het. Niet een stem. Geen beeld. Maar een samenkomen.
De letters verschuiven. Niet door wind, niet door handen. Ze zoeken elkaar, langzaam, alsof
ze elkaar al lang kennen. Tot ze stilvallen.
A u n a d i
Ik lees het hardop. ‘Aunadi.’
Het belletje aan mijn riem klinkt, één heldere toon.
De berg antwoordt met een diepe trilling, laag en rustig. Geen goedkeuring. Geen oordeel.
Herkenning. Pix glimlacht breed. ’Dat klinkt alsof het er altijd al was.’
Maleq knikt. ’Niet gekozen. Gevonden.’
Bea kijkt me aan en zegt zacht: ’Welkom, Aunadi.’
En op dat moment weet ik het. Mijn naam is geen verleden. Geen bestemming. Het is een
functie. Ik ben Aunadi.
Degene die evenwicht voelt tussen gevoel en wijsheid.
Iemand die luistert. Die onthoudt. Die blijft wanneer alles beweegt.
Hoog in de berg glanst het Oog van Lincei even in het zonlicht. Het heeft me gezien.
De lucht wordt ijl terwijl we hoger klimmen. De bloemen verdwijnen, de aarde wordt hard
en grijs. Zelfs de paarden lopen langzamer en hun adem dampt in korte wolkjes. Balou blijft dicht bij Pix, haar staart laag maar rustig.
Bea loopt voorop. Haar passen zijn vast, maar niet meer vanzelfsprekend.
Bea:’ Mijn voeten weten het niet meer zeker.’
Maleq blijft staan en kijkt om zich heen. Hij haalt zijn verrekijker tevoorschijn, maar laat
hem meteen weer zakken.
Maleq: ‘Dit landschap klopt niet. De berg verschuift.’
Pix voelt het ook. De grond onder haar voeten trilt licht, alsof ze op iets staat dat ademt.
Pix: ’Het voelt alsof we… terug worden geduwd.’
Dan gebeurt het. Een doffe dreun rolt door de bergen. Niet luid, maar diep. Achter ons
schuift steen los. Het pad waar we net over liepen zakt langzaam weg. Geen weg terug.
Bea draait zich om, haar ogen groot. Maleq knielt en legt zijn hand op de grond.
Voor ons loopt het pad door naar een smalle bergkam. Links een steile afgrond, rechts een
muur van ijs en steen. De wind trekt aan, onvoorspelbaar.
Pix voelt haar hart sneller kloppen. ’Wat als mijn paradijs hier ophoudt?’ fluistert ze.
Bea hoort het en draait zich om.
’Je hoeft niet bang te zijn.’
Maar haar stem mist overtuiging. De wind wordt sterker. De paarden weigeren verder te lopen. Ze schrapen met hun hoeven, onrustig.
Maleq: ’We moeten iets doen. Wachten is hier gevaarlijk.’
Bea kijkt naar haar voeten. Ze draaien licht naar links, richting de afgrond. Ze schrikt.
Bea: ‘Ze wijzen de verkeerde kant op…’
Pix pakt haar hand. ’Misschien is het niet fout. Misschien is het eerlijk.’
Bea kijkt haar aan. ’Eerlijk?’
Pix: ’Jij vertrouwt altijd op beweging. Ik vertrouw op blijven. Maleq vertrouwt op begrijpen.
Wat als de berg ons dwingt dat te combineren?’
Maleq staat op. Zijn ogen lichten op. ‘Een anker.’ Hij wijst naar een rotspunt in het midden
van de kam.
Maleq: ‘Als we ons daaraan verbinden, hoeven we niet te kiezen tussen links of rechts.’
De wind giert.
Bea aarzelt. ’En als het mislukt?’
Pix glimlacht, ondanks alles. ‘Dan hebben we het samen gedaan.’
Met touwen van de zadeltassen die er opeens blijken te zijn, maken ze zich vast aan de
rotspunt. De paarden gaan liggen, instinctief. Balou nestelt zich tegen Pix aan.
De storm barst los. Niet lang, maar heftig. De wereld wordt wit en grijs.
Bea voelt haar voeten trillen, maar ze blijven. Pix sluit haar ogen en ademt rustig.
Maleq houdt het overzicht, roept aanwijzingen, telt ademhalingen.
Dan… stilte. De wind valt weg. Voor hen ligt nu een breed, stabiel pad dat er eerst niet was.
Bea kijkt verbaasd. ’Mijn voeten… ze weten het weer.’
Maleq lacht opgelucht. ‘De berg wilde dat we stopten met forceren.’
Boven hen, op een richel, zien ze kort een schaduw bewegen. Twee puntoren. Gouden ogen die even oplichten. De Lynx. Geen oordeel. Alleen aanwezigheid. De berg heeft gesproken. De stilte na de storm is anders dan gewone stilte. Ze blijft hangen, als adem die nog niet is uitgeblazen. Bea zet als eerste een stap op het nieuwe pad, maar stopt meteen weer.
Bea: ‘Het voelt alsof… we bekeken worden.’
Maleq knikt langzaam.
‘Niet bekeken. Herinnerd.’
Pix hurkt neer en legt haar hand op de grond. De steen is warm. Niet door de zon, maar van binnenuit.
Pix:’ De berg leeft niet zoals wij leven. Hij onthoudt wat hier gebeurt.’
Op dat moment klinkt er een lage toon. Geen geluid, maar een trilling die door hun borstkas trekt. De paarden reageren direct; ze buigen hun hoofd, alsof ze groeten.
De rotswand vóór hen verandert. Niet zichtbaar bewegend, maar betekenisvol: lijnen,
barsten en schaduwen vormen samen een patroon. Geen afbeelding, maar een indruk.
Bea voelt het onmiddellijk.
‘Dit is dezelfde plek… maar niet hetzelfde moment.’
Maleq haalt diep adem. ‘Dit is geen doorgang. Dit is een knooppunt.’
Pix kijkt op.
‘Een plek die terugkomt?’
Maleq knikt. ‘Als we verder reizen, zal deze berg ons opnieuw ontmoeten. Niet omdat we
hier zijn geweest… maar omdat wij veranderd zijn.’
De trilling keert terug, iets sterker nu. In Bea’s hoofd verschijnt geen beeld, maar een besef:
de berg stelt geen vragen, hij spiegelt.
Bea: ‘Hij gaat ons later weer testen.’
Pix: ‘Niet testen,” zegt ze zacht. “Meten.’
De grond onder hun voeten pulseert één keer, alsof de berg iets vastlegt.
Dan, heel subtiel, verschijnt er een teken in de steen naast het pad. Geen uitgesneden
symbool, maar een natuurlijke vorm:
twee lijnen die elkaar raken en weer uit elkaar lopen.
Maleq: ‘Orde en chaos.’
Bea: ‘En wij daartussen.’
Wanneer ze verder lopen, gebeurt er iets bijzonders. Hoe verder ze van de plek weggaan,
hoe meer het pad achter hen vervaagt. Alsof de berg niet wil dat ze terugkijken.
Pix kijkt nog één keer om.
‘Ik weet zeker dat deze plek er anders uitziet als we terugkomen.’
Maleq glimlacht. ‘Dat is omdat wij er anders uitzien.’
Hoog boven hen, verborgen in mist en steen, beweegt iets ouds. Geen dier. Geen god. Geen
mens. Een herinneraar. De Berg van Lincei heeft hen gezien. En zal hen niet vergeten.
Wanneer ze opnieuw hoger komen, dagen later of misschien weken
anders hier merkt Bea het als eerste.
Bea: ’Deze berg… hij kijkt.’
Pix: ‘Zoals water kijkt. Zonder oordeel.’
Maleq: ‘Niet de hele berg,” zegt hij langzaam. “Eén punt.’
Tijd gedraagt zich. Ze volgen zijn blik. Hoog boven hen, waar lucht en steen elkaar raken, tekent zich een vorm af. Geen perfecte cirkel, maar een natuurlijke holte in de rots, omrand door donkere lijnen.
Wanneer de zon er langs schuift, glanst het oppervlak kort.
Een oog.
Maleq: ‘Lincei ziet niet alleen door de Lynx.’
Pix: ‘Maar door het land zelf.’
Bea voelt het zwaar worden in haar borst. ’Dit oog is oud.’
Ouder dan wegen.
Ouder dan mensen.
Ouder dan herinnering.





Opmerkingen