Het land van Lincei: Guy
- Orde&chaos
- 10 jun
- 9 minuten om te lezen

3e schrijver: Naomi uit den Boogaerd
Langzaam word ik wakker, mijn rug voelt als een steen. Ik beweeg me van links naar rechts,
iets prikt in mijn voet. Iets hards en stekeligs, ik voel het ook tegen mijn bil en schouders
prikken. Het voelt als takjes maar toch iets zachter. Ik doe mijn ogen een paar keer open en
dicht en kijk in de schemering naar een smeulend vuurtje voor het huisje.
Ik, waar ben ik in godsnaam? Ik schrik op en kijk op mij heen.
Om mij heen zie een vijftal huisjes met ronde, puntige rieten daken.
In de verte zie ik er nog veel meer. Er scharrelen wat kippen rond het vuurtje. In de verte zie
ik een enkeling voorbijlopen. Hij draagt witte katoenachtige kleding. Ik wrijf in mijn ogen,
alles doet zeer.
Ik: waar ben ik, hoe laat is het?
Ik probeer te bedenken wat ik gisteren heb ik gedaan, waarom lig ik hier onder de veranda
op een rieten matje? Ik sta op en loop richting het hutje achter mij, door de schemering zie ik weinig, ik roep heel voorzichtig, hallo? Mijn roep wordt beantwoord, er komt een heel klein schattig bruin hondje aangelopen en kijkt me diep in de ogen. Zijn kop zoekt mijn handen en begint te snuffelen. Hij likt aan mijn vingers en kwispelt met zijn staartje. Ik voel mijn intense paniek iets zakken, ik roep nog eens, maar verder hoor ik niemand. Heel even verstilt het in mij, schattig huisje denk ik, lief hondje. Ik zet 5 stappen en sta weer onder de veranda. hey het vuurtje brand feller. Ik ga zitten op een simpel krukje nog veilig onder de veranda van het huisje met het hondje aan mijn voeten.
Ik adem een aantal keer in en uit, ik kijk naar mijn handen wat zijn ze bruin? Ik beweeg
mijn schouders en wrijf een paar keer over mijn bovenbenen. Ik neem een grote teug ademen pomp mijzelf mentaal op. Ik ervaar hoe het langzaam lichter wordt, de zwaarte en druk op mijn borst neemt iets af, ook is de zon net op.
Mooi denk ik, een goed begin om eens op onderzoek te gaan.
Ik sta op en besluit om op de eerste de beste persoon af te stappen die ik tegenkom. Gelukkig ben ik niet alleen, mijn kleine vriendje hobbelt achter mij aan.
Mevrouw! mevrouw! roep ik. Een vriendelijk gezicht kijkt omhoog. Ik lijk wel een reus denk ik, ik glimlach vriendelijk naar de vrouw onder mij.
Waar ben ik roep ik?
De vrouw haalt haar schouders op en praat in een andere taal tegen mij. Geen idee wat voor taal dit is, het lijkt een beetje op Spaans maar toch ook weer niet. Vanuit een soort van een oer-noodzakelijkheid kan ik me redelijk verstaanbaar maken. De vrouw vertelt me dat ze me de avond ervoor doorweekt en uitgeput gevonden hadden aan de bedding van de rivier.
Rivier denk ik? Ik: Maar waar zijn we, hoe heet dit land, wie ben ik, hoe heet ik?
Ik hoor mijzelf in dezelfde taal spreken als de vrouw en eigenlijk klinkt het aardig goed. Een
gevoel van trots, en paniek wisselen zich af. De vrouw pakt mijn boven armen vast, haar
handen voelen zacht op mijn armen. Ze kijkt me liefdevol en doordringend aan.
Aya: Je bent in het land van Lincei en je naam is, Guy.
Ik: “Guy?
De vrouw wijst naar mijn ketting, een leren touwtje met 3 letters eraan. Er gaat geen belletje rinkelen, geen gevoel van herkenning. Een diep gevoel van eenzaamheid en verdriet
overmand mij. “Wat is u naam vraag ik”? “Mijn naam is Aya,” zegt ze. Ze pakt mijn hand
vast en loopt voor mij uit. Aya zet mij op een krukje en wrijft over mijn rug.
Aya: maak je maar geen zorgen, je bent veilig
Aya: We gaan zo naar het dorpje hier verder op, daar zijn je vriendinnen.
Guy: vriendinnen?
Waar heeft ze het over?
Aya: We vonden jou met 2 andere vrouwen, 1 had prachtig zwart haar en de anderen blond golvend haar met het gezicht van een engel. Een van de meisjes had
wat diepe sneden in haar hand ze moest worden verzorgd in het huis bij de medicijnvrouw
een dorp hier verder op.
Aya: Blijf hier zitten, ik breng je wat eten, en je schone en droge kleding. Dan lopen we
daarna naar het andere dorpje.
“Oke,” zeg ik volgzaam, ik ben nieuwsgierig naar de andere 2 dames, misschien kunnen ze
mij meer vertellen. Wat eten zal me ook wel goed doen. Hier op dit moment besluit ik me
voor nu aan mijn lot over te geven. Zo verkeerd lijkt het mij hier niet. Om mij heen zie ik de
meest prachtige planten, varens, en bloemen, het ruikt hier heerlijk naar vruchten en naar
een knisperend vuurtje. Om mij heen dartelen wat kinderen, het wordt steeds drukker in het dorpje, mannen en vrouwen sjouwen, met hout en riet, ezels worden voorbereid om te gaan lopen. Mensen lachen naar elkaar en naar mij, ze steken hun hand op.
Na een poosje komt Aya weer aangelopen in een bananenblad hierin serveert ze allerlei
soorten fruit. Ik krijg iets te drinken en er liggen ook een soort koekjes. Alles smaakt even
lekker, ze legt wat kleding op het krukje naast me. Bij het weglopen zegt ze:
Aya: Je kunt je in dat huisje waar je wakker werd verkleden er is daar ook water.
Guy: Is dat jouw huis roep ik haar na?
Aya: Mijn huis is jouw huis
Een minuut of 10 later loop ik achter Aya en het hondje meer het binnenland in. “Nog 1000
meter” zegt ze, “daar is het”! Ze wijst naar een huisje dat wat meer op een berg ligt. De
schoonheid van het landschap is overweldigend mooi overal zie ik Aloë Vera, en bloemen.
Vogels in de meest prachtige kleuren vliegen af aan.
Aya neemt afscheid en zegt:,
Aya: ga naar het huisje op de berg. Daar vind je wat je nodig hebt, Zeus zal je vergezellen.
Voordat ik kon antwoorden was ze al weg.
Guy: Het lijkt hier wel een sprookje, overal staan de meeste prachtige bomen met hele dikke stammen en prachtige bladeren, ik zie een drakenboom en wat is hij mooi.
Ik adem diep in en uit ineens ben ik me erg bewust van mijn longen die zich vullen met
schone lucht. Als natuurlijk voel ik dat ik bij iedere ademhaling die ik neem, ik mijn lichaam
zuiver. Via mijn uitademing laat ik los wat mijn lichaam niet meer nodig heeft. Wat fijn die
ademhaling, ik word er stil en rustig van.
Zeus en ik komen aan bij het huisje op de berg maar er is hier iets merkwaardigs aan de
hand. Midden in deze prachtige vallei boven op een berg, stuiten we op een aantal paarden.
We lopen voorzichtig dichterbij, ik hoor een mannenstem” Dag Guy hoor ik iemand
zeggen”? Ik draai me om maar zie niemand staan? En toen nog eens, “Dag Guy welkom
terug.” Mijn mond valt open van verbazing, kijk ik nu naar een pratend paard? Die diepe
ontspanning die ik zojuist ervoer door middel van mijn ademhaling is nergens meer te
bekennen.
Het paard: Rustig maar Guy je bent veilig adem in en adem uit. Wij dieren kunnen zien, voelen, horen en praten. Jammer genoeg hoort de mens ons steeds minder goed. Kijk mij diep in de ogen, dan weet je diep van binnen wat ik je wil vertellen. Ik kijk het paard voor mij aan, terwijl ik dit doe verteld mijn hoofd me dat ik knettergek ben. Maar toch vanuit mijn buik voel ik daar een diep innerlijk besef, dat wat dit paard zegt klopt; dieren hebben gevoel, wijsheid en kunnen dus kennelijk ook praten.
Plotseling wordt mijn aandacht naar boven getrokken, 2 vrouwen staan naar mij te zwaaien. Een met prachtige blonde lokken en de ander met gitzwart haar en hele grappige schoenen. De een kijkt wat serieuzer maar roept en zwaait wel. Guy via de deze kant. Vervolgens staat het meisje met het blonde haar in een prachtige witte jurk op haar blote voeten te wijzen naar een paadje wat ik moet nemen, om haar hand zit katoen gewikkeld. De dames vullen elkaar mooi aan. Wanneer ik boven aankom bij het huisje vallen de dames mij in de armen. Wat een heerlijke warme knuffel, ik voel mijn lichaam ontspannen.
Wat is aanraking toch belangrijk hoor ik mijzelf denken.
Guy: Bea, Lora hoe is het ermee? Ik kan jullie nooit genoeg bedanken jullie hebben mijn
leven gered!
Bij iedere stap die ik naar boven zette, kwamen flarden van mijn herinneringen weer
langzaam terug. Ineens wist ik het weer, Lora had mijn leven gered, het was zij die mij met
stokken het water uit heeft weten te krijgen.
Bea en Lora bestoken mij om de beurt met vragen waar ik het antwoord niet op weet. Ik
probeer hard na te denken, wat deed ik bij een rivier, had ik dorst? Wilde ik zwemmen?
Ik ben een goede zwemmer wat is er gebeurd?
Bea vertelt iets over een Lynx en een oog, ik moet vertrouwen hebben, maar de
onwetendheid knaagt aan mij. Ik kan nu even niets met een oog van een lynx. Hoe mooi en
vredig deze wereld ook lijkt, het voelt onrustig in mij. Ik voel me afgestompt, de stemmen
van Ben en Lora raken op de achtergrond, ik hoor ze al bijna niet meer.
Moet ik niet gewoon gaan lopen denk ik? Ik heb ruimte nodig, misschien ben ik beter af alleen, zonder prikkels kan ik ook beter nadenken.
Ik voel een hand op mijn rug,
Lora: gaat het? Heb vertrouwen. We zijn hier in het land van Lincei, de dieren en de natuur
willen je iets leren. Je bent hier veilig, ik ben ook bang. Maar we hebben elkaar nodig, we
moeten bij elkaar blijven.
Het kleine bruine hondje Zeus, komt aanrennen en begint opeens ook te praten!
Ik het moet niet gekker worden denk ik?
Bea: Maak je niet zo druk gozer, we zijn niet tegen elkaar, we doen het met elkaar. Wij
mensen, dieren hebben elkaar nodig, we werken samen.
Bea pakt mijn hand en zegt kom, loop maar mee, we gaan de Lynx om een teken vragen.
We komen aan op een open plek in de vallei, een klein geschubd diertje zit in het midden,
rond hem staan de paarden weer. Bea geeft me een soort instrument aan, het is een soort
rasp, zelf loopt ze met een soort trommel.
Lora steekt het vuur aan, en in een kring rond het vuur lopen we rondjes, Bea voorop met
haar grappige schoenen, Lora, de paarden, een klein gordeldier, Zeus en ik. We neuriën en
lopen rondjes om het vuur. We trommelen en raspen, we dansen en zingen tot de avond valt, we zijn in een soort trance geraakt. En dan opeens zien we het in de sterren geschreven, de hemel en zijn sterren vertellen ons een verhaal.
“Ga richting de watervallen daar zul je vinden wat je denkt verloren te zijn”.
De volgende ochtend is de hand van Lora genezen. Ook nemen we afscheid van de
dorpsbewoners, Aya en Zeus het pratende hondje. De avond rond het vuur heeft mij doen
beseffen dat er meer is tussen hemel en aarde. Deze keer loop ik niet weg, heb ik besloten.
Ik blijf erbij, bij mijn angsten, bij mijn gevoel maar vooral bij deze krachtige bijzondere lieve
vrouwen en hun kudde. Hun kudde pratende paarden. Bepakt en bezakt gaan we op weg
naar de watervallen, daar zal ons een verrassing wachten blijkt later. Zodra we verder lopen, weg van het dorp veranderd de kleur van de grond. Het lijkt wel op een regenboog, het zand is verdeeld in allerlei kleuren, het is prachtig, alsof over een regenboog lopen.
We lopen uren en uren tot waar de begroeiing dichter en dichter wordt, ik loop vooraan, met mijn machete kap ik de overhangende bladeren weg. Hierdoor creëer ik iets wat op een looppad lijkt. Ik blijf stilstaan omdat ik iets hoor, een kabbelend beekje.
Ik, in mijn gedachte besluit ik dat we hier gaan rusten, dat gaat ons goed doen wat verfrissing van een beekje, de paarden hebben ook dorst.
Ik deel mijn gedachte met de groep. Er wordt instemmend gereageerd, door de vermoeidheid praten we niet, stilletjes vervolgen we onze weg. We dalen af richting het geluid van het water, in de verte zie ik iets glinsteren. Ik tuur nog eens en dan schiet het weg, bijna direct voel ik een adrenalinegolf indalen en sta te popelen om op onderzoek uit te gaan. Ik vertel de groep dat ik iets zag wegschieten in de bosjes, iets glinsterends en stel voor om te gaan kijken. Maar de groep lijkt niet onder de indruk en verdeelt zich, Lora is ook nieuwsgierig en doet een stap mijn richting op. Op haar schouder draagt ze het gordeldier. Bea zegt dat haar dit niet verstandig lijkt, ze wil liever haar weg vervolgen naar de drinkplek en dan op zoek naar de watervallen. De paarden kijken mij vragend aan, dit irriteert mij mateloos, die beesten weten toch altijd alles zo goed! Waarom zeggen ze nu niets dan? Ik voel een innerlijke strijd, “wat een gezeik”! We kunnen toch even kijken en dan zijn we zo weer terug. Ik kan ook zelf even snel gaan kijken? Bedenk ik me zonder dit nog uit te spreken. Het kost me moeite maar besluit het deze keer anders te doen, ik stel me meewerkend op en laat mij idee los. Ik heb zelf ook wel een beetje dorst.Ik kijk nog 1x naar de plek en ja daar is het weer, het lijkt wel of iets of iemand met een spiegeltje mijn kant op schijnt? Ik kijk naar de groep maar die heeft zijn pas al vervolgd, ik zucht diep in en uit en besluit erachter aan te hobbelen.





Opmerkingen