top of page
Zoeken

Het Land van Lincei: Jane


Personage Jane uit Het land van Lincei
Personage Jane uit Het land van Lincei

3e schrijver, route Herenboeren: Titia Boerrigter


Ik word wakker met de zon in mijn ogen en de vragende hand. Verward probeer ik te begrijpen wat mij overkomt en verbaasd kijk ik om mij heen. Ik droom vast nog. Ik druip van het water en een wild uitziende man reikt mij de hand. Vaak heb ik gedagdroomd over een onverwachte gebeurtenis, maar dit is wel erg ongewoon. Ik pak de hand, en laat mij uit het water trekken. Ik zie de bosjesman met de wilde ogen en een grote bos krullend haar en vuile kleren voor een reusachtige laurierboom staan. De geur is overdonderend. Ik sla de modder van mij en voorzichtig kijk om mij heen. Ik wankel wat naar rechts. Daar is een breed pad, hij kijkt mij nieuwsgierig aan. Ik zet een paar stappen. Links is een enorm bos vol met groene stengelbomen. Wat is dit voor land waar ik in terecht ben gekomen. Ik herinner mij helemaal niet hoe ik hier gekomen ben. Heb ik een klap op mijn hoofd gekregen? Ik weet het niet. Een enorme bij vliegt langs en klappert als een pelikaan met haar vleugels. Waar ben ik terecht gekomen? En wat is er gebeurd? Ik wrijf nog eens in mijn ogen en knijp mezelf in mijn arm. Ik ben toch echt wakker geworden. De geuren die ik ruik zijn sterk. De bosjesman zwijgt en beweegt wat naar mij toe.

Leo: Eindelijk kom ik weer eens iemand tegen, zegt hij zachtjes.

Hij lijkt mij eigenlijk wel aardig. Ik knik en zeg niets. De lichte angst zakt weg. Ik kijk nog eens om mij heen en vraag aan hem:

Ik: Waar zijn we? Ken jij het hier? Ik heb geen idee waar ik ben? Ik heb ook pijnlijke plekken,ā€ ratel ik door, ā€œ misschien ben ik gevallen ofzo, ik herinner mij er niks vanā€ā€™.

Hij kijkt mij aan en vraagt vriendelijk:

Leo: Hoe heet je?

Ik denk na en er komt niks boven drijven. Dat is me nog nooit gebeurd, zoveel weet ik wel. Hij zegt vriendelijk:

Leo: Nou, welkom bij de club, jij bent al de tweede die ik op deze manier tegenkom. Ik kwam ook Bea tegen die zo begon tegen mij. Dit is blijkbaar het Land van Lincei, waar van alles kan gebeuren. Ik ben op onderzoek gegaan door dit prachtige landschap en heb een kudde paarden ontmoet die heel leuk zijn. Ik heb trouwens een envelop voor je met je naam. Die heb ik gekregen van een paard.

Hij geeft mij een wat groezelige enveloppe. Het is duidelijk dat hij al enige tijd in het wild rondzwalkt.

Ik: Van een paard?

Ik open het vod en zie een paar letters: A-N-E-J. De bosjesman legt als een volleerde reisleider uit dat de paarden kokertjes om hun hals hebben en de namen van de mensen hierdoor bepaald worden. Ik vraag mij af wat dit nou weer voor een raar verhaal is en kijk hem vragend aan.

Leo: Jaha, Bea vertelde mij dat het paard dat jou uitkiest je je naam geeft hier.

Ik: Maar wie is Bea? En waarom geef jij mij dan een enveloppe met letters? En wat moet ik nu doen dan?

Hij kijkt nu ook verward en ik kijk intussen naar de letters. Wat zou dat voor naam zijn, denk ik. Jena, Enaj, Naje, Jane, ja, Jane, dat zal het zijn. Ik ben Jane, denk ik en ik zeg:

Jane: Ik heet blijkbaar Jane.

Leo: Welkom, Jane. Wil je ook de paarden zien? Misschien is Bea er ook nog wel. Bea is de enige andere mens die ik ben tegengekomen.

Hij wijst naar het vervolg van het pad en we lopen samen op. Ik begin het ergste te vermoeden over deze droom waar ik in beland ben. Hoe kom ik weer thuis?

We lopen een eindje met elkaar op door een soort Hortus Botanicus, denk ik en als ik beter kijk zie ik allerlei verschillende planten, sommige met bloemen, andere zonder, dikke en dunnen groene stelen, struikachtige bomen. Ik probeer mij te oriƫnteren terwijl we lopen langs de meest wonderlijk gevormde bosjes groene planten en de geuren veranderen ook steeds, lavendel, drop, koriander, uien, fris en nootachtig. Het is niets wat ik ooit eerder heb gezien en toch komt het mij ook bekend voor.

Dan merk ik ineens dat er iets gebeurd met me. Ik grijp bosjesman bij zijn vieze mouw vast. Alles om mij heen begint te krimpen. Wat is er aan de hand, mijn benen lijken wel gummi geworden en ik voel mij misselijk en draaierig worden.

Jane: Hoe heet je eigenlijk, ik word zo misselijk ineens.

Leo: O, ben je misselijk, hou mij maar even goed vast, ik ben het al gewend, we groeien en krimpen en gaan zo de paarden zien, wees gerust, dit gaat hier zo, in het land van Lincei, mijn naam is trouwens Leo.

Wankelend aan zijn arm loop ik verder en ik begin paniekerig te worden. Hoe kan ik nou groeien en krimpen? Is dit soms een droomsprookje waar ik straks weer uit wakker wordt? Ben ik weer een kind geworden? En wie ben ik? Waar ben ik? En wie is deze man? Wat gebeurd er? Ik kijk naar mijn benen en zie de moddersporen en vieze schoenen, ik ruik de stank van de sloot en verlang naar een warme douche. Ik besluit dicht bij deze Leo te blijven, totdat ik iets snap van dit alles! Iets zegt mij dat ik hem kan vertrouwen en we lotgenoten zijn. Ik voel mij onzeker en kwetsbaar en vooral misselijk. Dit ken ik niet van mezelf. Zoveel weet ik wel. Hij leidt mij naar het einde van het pad en als ik even terugkijk lijkt het sterk geurende bos waar we uitkomen meer een kruidentuin, nu dat we gegroeid zijn. Wat een prachtige kruidentuin, zie ik in de gauwigheid. Maar we moeten door en we lopen tegen een weiland aan met een kudde paarden, grote paarden. Ze snuiven en briesen en enkele lopen te rennen door de wei. Daar zie ik een vrouw staan met zwarte haren. Ze is gekleed in een lange rok en wijde jas, een ruiterachtig uiterlijk met leren handschoenen en rijlaarzen. Maar ze kijkt vriendelijk uit haar ogen en is goed met de paarden, ze aait en knuffelt ze. We lopen op haar af en ik ga zitten op de grond. Ik ben nog steeds misselijk en groet haar met een hand. Ze knikt begrijpend.

Leo: Deze vrouw heet Jane, zegt hij tegen haar. Ze knikt.

Bea: Dat dacht ik al, ze ziet er zo wild uit.

Ik snap er niks meer van. Ik herinner mij niets van wie ik eerder was en blijkbaar ben ik zelf een bosjesvrouw. Ik lig op de grond met een hand op mijn maag. Het draaien houdt nu op en ik richt mij op.

Jane: Wat is dit allemaal? zucht ik. Ze geeft mij een flesje water te drinken.
Bea: Je went er wel aan. Die Leo is wel aardig, we zoeken allemaal naar een verklaring hier.

Ik heet hier Bea.

Leo komt er ook bij staan. Een paard begint aan mijn arm te kauwen en snuffelt aan mijn haar.

Leo: Misschien wil je even een duik nemen? Daar is een klein riviertje, een soort kanaal, waar je je even kan wassen.

Ik kijk in de richting die hij wijst en zie een aantal paarden er staan te drinken. Ik sta voorzichtig op en strompel naar het heldere water. Het is al best wel warm, dus een duik zal wel prima zijn, kan ik die stank van die sloot even van mij afwassen. Ik kijk nog even om en zie dat Leo en Bea rustig op de grond zijn gaan zitten en ze kijken naar me. Ze gaan nergens heen, zouden ze hier al lang zijn? Ik loop het water in en was mij schoon, met kleren en al. Gelukkig is het hoogzomer en is het niet koud. Zalig om even alles van mij af te laten glijden. Ik voel mij ook even niet meer zo raar en laat het water heerlijk bezit van mij nemen. Dit voelt bekend en ik begin te zwemmen.

Als ik terug kom lijkt de stemming iets veranderd. De twee beginnen door elkaar heen allemaal vragen aan me te stellen:

Bea en Leo: Wie ben je en waar kom je vandaan, of weet je het ook niet, net als wij? Jane: Ik heb geen idee.

Leo: Wij zijn hier ook zomaar gekomen een tijd geleden al weer en zijn begonnen met het verbouwen van eten. Je moet toch eten, zoveel weet ik wel. We troffen wat groentes aan op een akker en zijn die gaan uitzaaien. We hebben ook een hut gebouwd voor als het regent, eigenlijk is dat wel wat we willen in het leven, samen met anderen leven.

Ik luister met stijgende verbazing naar alle verhalen. Hoe kan dit? Hoe lang zijn ze hier al. Het lijkt wel of ik mezelf hoor denken.

Jane: Hoe kan dit? Dit is precies wat ik ook altijd al wilde en ik zit al jaren te denken hoe ik dit kan realiseren. Is dit waar we in terecht zijn gekomen? Is dit de droom?

Ze kijken me aan. ā€Wie weet, misschien wel.ā€, zeggen Bea en Leo tegelijk. ā€œwe maken er het beste van, ook al weten we zo weinig hoe we zo moeten levenā€.

Intussen doe ik veel indrukken op van de omgeving waarin we zijn terecht gekomen. Ik heb veel vogels gehoord en het is hier ook tegelijkertijd zo ongelofelijk stil, dat ik een vermoeden heb dat hier niet veel andere mensen wonen. Ik hoor helemaal geen geruis van wegen of andere menselijke geluiden. Er is wel veel land en bossen, bomen, begroeiing en er zijn allerlei dieren: konijnen, eekhoorns, kippen, varkens, koeien, schapen, vogels, vossen heb ik al gezien. We kijken rond, zijn met de paarden en proberen eetbare planten te zoeken. Verder zijn we nog niet echt gekomen. Ik droog langzaam op aan de zon en voel mij even rustig worden, wat wel fijn is na al die paniek.

Leo: We zijn begonnen met de bouw van een grotere hut om in te slapen, want ’s-nachts kan het koud zijn hier. We slapen met de paarden en een paar dieren om het warm te houden. Dat is wel een voordeel hier.

Ik weet helemaal niks van zo’n leven, dat is duidelijk en we staren wat voor ons uit.

Plotseling komt er een paar eenden aanzwemmen naar het riet in het water, samen met een meerkoetpaar. Bea en Leo roepen verbaasd uit dat ze dit nog niet eerder hebben gezien.

Leo: We kunnen er een vangen om te eten vanavond.

Bea en ik griezelen bij het idee.

Jane: Ik ben vegetariƫr!

Wat is dat nou weer? Weet ik dat wel? Ik ben weer even van mijn stuk gebracht. Bea kijkt mij grijnzend aan.

Bea: Dat is raar, he, soms komt er toch iets door van je vroegere leven. Ik had dus laatst dat ik mij ineens herinnerde dat ik goed kan paardrijden en paarden kan mennen. Dat is handig in deze omstandigheden. Kom mee, je kan helpen met de bouw van de hut. Dan maken we voor jou ook een slaapplek. Jij kan helpen met twijgentakken zoeken in het bos daar en daarna met het maken van aardemengsel om de muren te besmeren. Leo is daar ook heel goed in geworden, maar hij kan nu beter gaan jagen voor ons avondeten. Het duurt nog een paar uur voor het donker wordt, maar de tijd gaat snel hier.

Jane: Wat bedoel je, de tijd gaat snel hier?

We staan op en lopen weer terug richting de kruidentuin en komen bij een bosachtig terrein, waar een opening in het bos mijn aandacht trekt.

Bea: We hebben geen werkende horloges hier, maar het lijkt wel of de tijd hier sneller is, we zijn er nog niet uit, he, Leo.

Als hier sprake is van een droomwereld zal ook de tijd wel anders gaan, ik besluit mij er maar niet druk over te maken. Ik zie in het bos nu echt beweging. Het lijkt een andere vrouw te zijn, zie ik lange haren?. Of is het toch een man? Of heb ik mij het verbeeld?

Is daar iemand?. Wie is dat?

Ik vraag het de anderen en zij gaan ook turen. Weer een nieuwe? We besluiten er naar toe te gaan om het uit te zoeken.

Ā 
Ā 
Ā 

Opmerkingen


Ā© 2023 by Orde & Chaos 

bottom of page