Het land van Lincei: Tyke
- Orde&chaos
- 2 dagen geleden
- 9 minuten om te lezen

4e schrijver Herenboerenroute: Feiko van der Veen
Het lijkt een eeuwigheid geleden dat ik sluimerend wakker werd en een overweldigende sterrenhemel zag, die meteen diepe indruk op mij maakte. In alle richtingen was de hemel bedekt met vele duizenden, tienduizenden of misschien nog wel meer sterren. Ik zag ook gekleurde vlekken en velden met wit, wolkachtig licht. Ik voelde mij totaal verweven met deze wereld. Een enorme ontroering maakte zich van mij meester. Ik voelde mij verheven boven al het klein-aardse. Het was net alsof er geen enkele complicatie meer voor mij bestond. Alles was betekenisvol. Ik heb geen idee hoe lang dit duurde. Het kunnen uren zijn geweest. Of ƩƩn flits in een onderdeel van een seconde. De ervaring staat wel gegrift in mijn binnenwereld. Vooral alle gevoelens die erbij optraden. De exacte beelden zwakken gaandeweg wel wat af. Maar ik weet zeker dat ik deze herinnering voortaan altijd bij mij zal dragen. Het geeft mij een enorm vertrouwen, dat we alles wat we meemaken aankunnen, kunnen gebruiken om nieuwe werelden en vermogens in ons zelf aan te boren. Vanaf dat moment voelde ik mij gedragen door een nieuwe, beschermende en tegelijk uitdagende kracht.
En dat was best wel vreemd, want verder herinnerde ik mij helemaal niets, nul komma nul. De wereld voor dit hergeboortemoment was leeg en wit. Ik voelde me heel goed bij mezelf, maar mijn directe omgeving, inclusief mijn eigen lichaam en wat ik aan had, kwamen mij totaal niet bekend voor. Langzaamaan werd de horizon lichter. Na een hele tijd zag ik de zon de horizon beklimmen. Vergezeld van een heel kleurenspectrum, van groen tot paars. Ondertussen had ik ontdekt dat ik best wel warm gekleed was, en dat was ook prettig want het was een beetje fris om mij heen. Ik droeg ook een rugzakje, maar daar zat niks in. Ja, nu moest ik toch wat gaan doen, de indrukwekkende sterrenhemel was geheel blauw geworden en ik vroeg me af:
Ik: Wat ga ik hier eigenlijk doen? Waar ben ik?
Raar, maar dat was na mijn sterrenervaring helemaal geen reden tot paniek. Alles was onduidelijk. Maar ik had er wel zin in om eens op ontdekkingsreis te gaan. Ik bevond mij in een glooiend, groen landschap. Ik zag ook best veel bomen en struikachtige gewassen om mij heen. Hier en daar vlogen een paar vogels. Sommige maakten een krassend geluid, dat zo te horen diep van binnenuit kwam. Andere, overvliegende vogels maakten fluitende geluiden. Ik zag dat ze bont gekleurd waren. Ik ging maar eens op pad. Het eerste waar ik behoefte aan had, was om iets te drinken. Bovenop een heuvel aangekomen, zag ik in de vallei voor me een riviertje stromen. Ik liep erheen, vormde met mijn handen een drinkschaaltje en proefde het heerlijk frisse, tintelende water.
Ik: Wat een godendrank!
Het was ook heerlijk stil hier. Op de dierengeluiden na dan. Her en der zag ik grote runderen rustig grazend voortgaan. Nu hoorde ik achter mij stappen op de grond. Ik draaide mij om en stond oog in oog met een groot, donkergoudbruin paard.
Ik: Hallo paard, hoe is het leven hier?
hoorde ik mijzelf vragen. Het was net alsof het buiten mij om, spontaan gebeurde. Het paard kwam nog wat dichter naar mij toe. Maar ik voelde mij nog steeds zo top en vol zelfvertrouwen, dat ik echt niet bang was. Het paard schudde wat met haar nek en vestigde zo mijn aandacht op de koker om haar hals. Uitnodigend hing die nu vlak voor mij. Ik keek in de vriendelijke ogen van het paard en accepteerde haar gift. In de koker zat een hele mooie landkaart. En een paarsfluwelen zakje met wat letters.
Ik: Hm. Met zoān kaart kan ik wel wat. Maar wat moet ik nu met een zakje letters?
Ik zei het meer tegen mezelf dan tegen het paard. Ik mocht de koker kennelijk houden. Wat natuurlijk erg handig was om de kaart in mee te nemen. Ik bekeek de kaart eens goed. Ik zag er inderdaad wel waterstromen op, en hoogtelijnen, die ik gebruikte in een eerste poging om te ontdekken of onze locatie er ook op voorkwam. Maar al snel bleek dat me nog niet te lukken.
Alsof dat heel vanzelfsprekend was, klom ik op de rug van het paard en reed zij mij door het landschap.
Ik: Ik kan dus klaarblijkelijk paardrijden. En dat nog wel op een ongezadeld paard.
Gelukkig stapte het paard lekker rustig voort, zodat ik de prachtige omgeving goed in mij kon opnemen. Ik denk dat het paard dit ook als heel prettig en gepast ervoer. Het was allemaal even wonderlijk. En ik kan het niet anders zeggen, het was net alsof het landschap mij voedde. Ja, dan wel in overdrachtelijke zin. Ik was hier vermoedelijk nog nooit geweest, maar paard en landschap droegen mij voortreffelijk, alsof het helemaal zo moest zijn. Alsof een soort voedende dampen, hele ijle draden vanuit de omgeving mij te eten gaven. Beter uitgedrukt: mij zoān tevreden gevoel in mijn lijf gaven, dat ik urenlang er niet aan dacht om wat echt te eten te wensen.
Drie dalen verderop stapte het paard een bos in. Er sprongen wat konijnen opzij. Bij een open plek stond een vervallen hut, zo te zien geheel uit natuurlijke materialen opgebouwd. Takken als raamwerk, gevlochten hout daartussendoor, de buitenwand was zo te zien met een kleilaag gepleisterd geweest. Van het dak was niet veel meer over. Wij troffen wij er niemand aan. Wel moest er achter het huisje een kleine groentetuin geweest zijn, nu geheel verwilderd. Ik zag een stevige groene wortel met ruw loof een stukje boven de grond uitsteken. Ik groef hem uit en deed hem in mijn rugzak. Ik ging ook maar wat oogsten van de bessen, die her en der aan struiken hingen. Er scharrelden nog wat kippetjes rond. We zeiden elkaar vriendelijk gedag. Mijn paard was ondertussen naar een plek achter hutje gelopen en hinnikte mij naar zich toe. Dat hinniken was eigenlijk niet nodig, want ik had al gevoeld dat zij mij met een innerlijk gebaar wenkte. Zij liet mij een nog tamelijk gave leren tas zien, half verscholen onder het materiaal van de voormalige hut. Er bleken wat eenvoudige gereedschappen in te zitten. Ik herkende een schaar, naainaalden, een hamer en een soort hak om de aarde mee te bewerken. Ik mocht het tasje meenemen. Het paste mooi in mijn rugzak.
We stapten weer op om onze weg te vervolgen. Nou ja, ik stapte op mijn paard en dat stapte voorwaarts. We kwamen door allerlei landschappen. Rotsachtig, bij een wat breder riviertje open en grazig, daar maakten de dieren ook dankbaar gebruik van. Nog steeds kon ik geen greep op de voortgang van de tijd krijgen. Hij leek soms langzamer en dan weer sneller te gaan. Als ik mij voorstelde dat we dezelfde weg nu achteruit liepen, leek de tijd zelfs terug te gaan. Ook het reliƫf in het landschap bewoog zo af en toe op en neer als wij erdoorheen liepen, de heuvels werden dan hoger of minder hoog. Als wij stil stonden, stopte deze beweging ook. Alhoewel dit voor mij een surrealistische ervaring was, reageerde mijn paard alsof dit heel gewoon was. Ik vond het ook prima. Maar wel enerverend. Zonder hier nu alle bijzonderheden te benoemen, wil ik wel zeggen dat ik mijn ogen uitkeek naar alle fraaie en mooie dingen om me heen.
Mijn paard leek te weten waar zij naar toe ging. Maar het was kennelijk een hele tocht. ās Nachts zochten we een beschut plekje op om te slapen. Ik op wat gras of zo. Het paard meestal staande naast mij. Een paar keer werd ik ās nachts wakker en ging dan naar de sterren te kijken. Alhoewel er nu ook wel bewolking aanwezig was, was ik telkens toch weer helemaal onder de indruk van de enorme ruimte, rust en wijsheid die uitging van de hemelkoepel. Het was allemaal veel groter dan mezelf. En het droeg me, het zorgde voor mij, dat was voor mij een hele mooie boodschap. Een keer stond mijn paard naast me. Ze hinnikte binnensmonds,, bewoog haar hoofd langzaam op naar de sterren en dan weer neer naar de aarde. Ik meende dat ik haar iets hoorde zeggen in de trant van: āNeem uit de natuur genoeg voor jezelf, maar nooit te veel. Kijk eerst wat de natuur kan missen. Luister naar de planten. Luister naar de dieren. Wees hen dankbaar voor wat ze je geven.ā Het was niet zozeer een letterlijk deze boodschap, maar toch hoorde ik als het ware precies wat de gedachte was. Wat een wijs paard! Zou zij die boodschap ook van de sterrenhemel ontvangen?
Op een morgen werd ik wakker en wist opeens de naam van min paard: Sleipnir. Inderdaad reageerde ze op deze naam. Na een aantal dagen kwamen we in een grotere vlakte aan met een nog altijd gevarieerd landschap ven bos en meer open velden. Overal waren nog bloemen aan het bloeien, liepen en vlogen dieren rond. Ik zag interessante libellen en andere grote insecten. Het voelde vredig aan. Sleipnir ging sneller lopen, toen over in draf en tenslotte galoppeerde ik als een volleerd ruiter door de vlakte. Tenslotte kwamen we aan bij een hele kudde paarden. Ik stapte af. Sleipnir begroette de andere paarden hinnikend. Een groot, donkerbruin paard gaf ze en knuffel in de nek. Zij was thuisgekomen.
Ik: Nu ik nog.
Ik zag een bospad en liep erheen. Ik kwam bij een open plek met een hut.
Ik riep onwillekeurig: HĆ©, wat is dat nou?
Dit was wel wat anders dan de boshut waar Sleipnir me eerder heen had gebracht. Deze hut stond fier overeind en was groter. Er was ook iets als een moestuin. Het zag er wel rommelig uit. Na mijn kreet kwam een vrouw naar buiten, haar nieuwsgierige ogen op mij gericht. Ik had totnogtoe nog helemaal geen mensen gezien. Wat een mooie vrouw was dit! Lang zwart haar, sierlijke manier van lopen, best wel gespierd. En met een open blik.
Bea: Hallo wie ben jij? We hadden je al veel eerder verwacht. Hartelijk welkom. Hoe ben jij hier gekomen?
Ik: Op mijn paard Sleipnir.
Bea : O, is zij er nu ook weer? Zij ging een tijdje geleden inderdaad āop missieā. Dat was jij dus. En hoe heet jij?
Ik: Ja, hoe heet ik eigenlijk. Goede vraagā¦
Bea: Heeft Sleipnir je geen fluwelen zakje met letters gegeven?
Ik: Ja, dat wel. Maar wat heeft dat met mijn naam te maken?
Bea: Nou met die letters kom je op je naam. Pak ze maar eens uit.
En zo stonden al snel we gezellig samen een letterspelletje te doen. Wat een aankomst! Ik ging met de zeven getrokken letters puzzelen. Ik legde een meerdere combinaties die min of meer leken op een persoonsnaam. Bijvoorbeeld T-Y-K-E.
Bea: Ja, Tijke lijkt me mooi.
Ik: Ja, dat spreekt mij ook aan.
Tyke dus, maar dan uitgesproken als Tijke. De G, J en en D gebruikte ik niet.
Ik: Is die naam erg belangrijk? Kan ik er nog een nachtje over slapen?
Daarna maakte ik kennis met Leo, die een konijn gevangen had in het bos. Een ruige bink met lang, donkerblond, krullend haar. Felle, bijna lichtgevende ogen. Maar wat een lichte, gevoelige, fantasierijke persoonlijkheid! Heel grappig vond ik wat hij over zijn gesprekken met de dieren vertelde. Zoogdieren inderdaad, maar bijvoorbeeld ook insecten. Hij vertelde zich helemaal in hen in te leven, en dan āgesprekkenā op te vangen. Als het contact eenmaal gelukt was, leek het alsof het gesprek buiten hem om, vanzelf tot stand kwam. Dit was voor hem zichtbaar heel betekenisvol.
Leo: Zo gaaf, dat je eindelijk weet hoe de dieren erin staan. Ze zijn ook wel bezig met zaken als eten, waakzaamheid voor gevaar en voortplanting, maar beleven de hele sfeer om hen heen ook mee. Ze hebben een sterke beleving van de samenhang waarin ze leven. Met soortgenoten, met andere diersoorten, maar ook bijvoorbeeld met planten.
Tyke: Had je met je konijn ook een gesprekje?
Leo: Jazeker, maar eigenlijk niet zozeer met dit konijn persoonlijk, dan wel met alle konijnen tegelijk. Op zich kunnen ze er wel mee leven dat je ƩƩn van hen opeet, maar ze willen ook dat je rekening houdt met hen als groep. Ik beloof dan, dat ik hen in gedachten zal houden. Ik ga ze ook zeker helpen, mocht dat een keer nodig zijn.
In mijn toestand verbaasde het me helemaal niet meer, dat ook Leo kennelijk gewoon met de dieren kon āpratenā.
Bea had me inmiddels de brief laten lezen. Nu wist ik dan wat ons doel met deze hele onderneming was. We gingen uitvinden hoe we samen met de natuur kunnen zorgen voor ons voedsel. Daar was ik dus naar op zoek gegaan! Wel een hele klus. Maar daarom was ik hier terecht gekomen. Ik had nog steeds geen idee waar ik voorheen had geleefd of wat ik daar had gedaan. Toch hinderde dat me niet. Het perspectief om telkens de natuur te gaan raadplegen bij het zetten van stappen in het oogsten en verbouwen van ons eten sprak me nu erg aan. Daar wilde ik zeker aan meedoen. Wij komen immers voort uit de natuur en maken er onderdeel van uit. Zij zorgt voor ons, wij willen ook voor haar zorgen. Daarom ving Sleipnir dat bericht ook op van de sterren! Er bleken al drie mensen een tijdje aan het pionieren te zijn. Leo nam me mee naar nummer drie, Jane, die in de kruidentuin bezig was, iets verderop in het bos. Leo vertelde dat zij al veel ontdekt had over de geneeskrachtige werking van de kruiden hier. Een sympathiek, voortvarend type, zo te zien. Vloeiende bewegingen. Ze was stemmig donkergroen gekleed en droeg een paarse hoofddoek. Met een steen was ze een stuk hout aan het polijsten. Om haar heen lagen allerlei verschillende houtjes.
Jane: Welkom Tyke! Kijk, ik knutsel aan wat slagwerkinstrumenten. Leuk voor vanavond als we bij het vuur gaan zingen. We maken elke dag een vuur. Want aan het begin van de avond wordt het al donker. Leo heeft ook een muziekinstrument gemaakt, met snaren van konijnendarmen. Het is allemaal nog best wel primitief. Maar we proberen het gewoon uit. Lekker zingen en muziek maken
geeft ons een soort oer-gevoel. Soms komen er ook dieren meeluisteren. Ze zijn benieuwd wat we doen.
Op die avond bij het vuur liet ik mijn landkaart zien. Bea pakte de routekaart erbij, die zij eerder van paard Equus Felinus had gekregen. De kaarten bleken precies aan elkaar te passen. Voordat we eruit waren wat we verder konden met de kaarten, hoorden we een harde, doffe dreun diep in het bos. Wat had dat te betekenen?




Opmerkingen