Het land van Lincei: Rosa
- Orde&chaos
- 17 feb
- 17 minuten om te lezen
3e schrijver route G: Hanneke Baart

Een klamme hitte houdt mij in zijn greep. Ik krijg geen lucht. Happende naar adem probeer
ik mijn ogen te openen maar mijn oogleden zitten aan elkaar vastgeplakt. Gewekt door
apengeluiden en een kriebel aan mijn neus. Apen die op mijn krakende hersenpan aan het
trommelen zijn. Daar is ook het geluid van water, de zee en de ruisende wind.
Een bungelde staart is het eerste wat ik zie wanneer ik mijn ogen open. Een seconde later
verdwijnt de staart maar algauw ontdek ik de aap. Hij houdt zich schuil achter een groot
palmblad boven mijn hoofd. Door de felle zonnestralen op het blad is zijn silhouet in volle
glorie zichtbaar.
Ik: Jij denkt je zeker voor mij te kunnen verstoppen he?
Ik lig in het warme zand onder het bladerdak van een paar wuivende palmen. Ik probeer
overeind te komen maar het lukt niet. Ik ben verstijfd en alles doet pijn. In mijn linkerhand
hou ik iets vast. Het is een tropische schelp. Automatisch leg ik hem aan mijn hoor: āLuister
naar je hartā fluistert het mij in. Tot mijn grote schrik springt de aap vanuit de boom naar
beneden zo op mijn buik. Vliegensvlug pakt hij de schelp uit mijn hand en rent ermee weg.
Ik spring overeind. Heremietkreeftjes schieten aan alle kanten onder mij vandaan. In mijn verwoede poging om het beest te grijpen vergeet ik de pijn maar nog voordat ik de
achtervolging kan inzetten, struikel ik en val ik voorover met mijn gezicht in het witte zand.
Ik zit vast.
Nadat ik het zand van mijn gezicht af heb geveegd, ontdek het lange touw dat om mijn enkel
vastgebonden zit. Ik ruk eraan en probeer de knoop los te krijgen maar wat ik ook probeer ik
krijg het touw met geen mogelijkheid van
mijn voet. Ik zie het touw verdwijnen in de helderblauwe zee die zich voor mij uitstrekt. Het
is alsof ik verankert zit. Waarom zit ik vast? Hoe kom ik los?
Alles plakt en prikt. Ik voel aan de kleverige haardos op mijn hoofd. Waar ben ik? Ik laat de
omgeving even op mij inwerken. Achter mij zie ik een wildernis van groen, een jungle met
wilde bomen die op een symbiotische wijze met elkaar verstrengeld zijn. Ik zie een
kleurexplosie van de meest prachtige tropische bloemen die lijken te dansen net zoals mijn
dansende jubeltenen met hun felgekleurde roze nagellak. Voor een moment is de pijn in
geen veld of wegen te bekennen en krijg ik ,bij het zien van al die vrolijke kleuren zelfs zin
om te gaan dansen. Een nieuwe pijnscheut haalt mij gauw uit mijn droom. Als dit geen
droom is betekent het dat die bruine voeten met die roze nagels van mij zijn. Mij? Wie ben ik
dan? Verschrikt bekijk ik mijn armen en voel ik aan mijn gezicht. Ben ik dit?
Droom ik dan toch? De heerlijke geur die de tropische bloemen verspreidt, vermengen zich
met de geur van mijn angstzweet. Dan zie ik het aapje zitten met de schelp nog steeds in zijn
hand. Hij ziet mij en komt weer dichterbij. Hij lijkt toenadering te zoeken. Het is een Orang-
Oetang. Wat een deugniet. Aangezien er in geen veld of wegen mensen te bekennen zijn,
voelt de gezelschap van het aapje toch fijn.
Het aapje houdt de schelp tegen zijn hart en wijst vervolgens naar het punt waar het touw in
de zee verdwijnt. Ik maak er uit op dat ik het touw moet volgen.
Ik volg het touw door de branding in de zee tot waar het onder water vast zit. Het water komt
al tot aan mijn schouders en ik moet onder water duiken om te zien waar het touw aan vast
zit.
Op de zeebodem zie ik een grote kist staan waar het touw omheen geknoopt zit. Op de
deksel van de kist ligt een zelfde soort schelp als waar ik mee wakker werd op het strand.
Met man en macht knoop ik het touw los en ruk ik aan de deksel van de kist. Het touw komt
gelukkig los maar de deksel van de kist krijg ik met geen mogelijkheid open. Weer hoor ik
iemand iets fluisteren: āOpen de kist en gij zult verlost worden van het touwā
Vastberaden om de kist open te krijgen, duik ik weer onderwater. Alsof mijn leven er vanaf
hangt probeer ik nogmaals om de kist open te krijgen.
Na alles uit de kast gehaald te hebben, geef ik het op.
Met een gevoel van totale ontreddering waad ik terug naar het strand, slepend met het zware
touw nog om mijn enkel.
De Orang-Oetang heeft al die tijd op mij gewacht met de schelp nog in zijn hand. Ook hij
zit er gelaten bij en kijkt mij aan met een blik vol medelijden. Moedeloos plof ik neer op het
strand. Wat moet ik nou doen? Wat is er voor nodig om die kist open te krijgen?
Met een zwaar gemoed blijven we naast elkaar in het zand zitten, het aapje en ik...
Na een tijdje stilzwijgend voor ons uitgekeken te hebben lijkt het aapje schoongevoeg te
hebben van mijn lamlendigheid en in een poging om mij op te beuren begint hij gekke
bekken te trekken en druk om mij heen te dansen. Er zit dus niks anders op dan overeind tekomen en te accepteren dat ik de zware last van het touw moet dragen totdat ik een
oplossing gevonden heb. Om het loodzware touw te kunnen dragen moet ik het gewicht
verdelen door het helemaal om mijn lichaam heen te wikkelen als een prooi in de wurggreep
van een Boa-Constrictor.
We gaan op pad, de Orang-Oetang en ik. Op zoek naar een manier om mezelf te bevrijden
uit deze wurggreep. Ik ben blij met de aap aan mijn zijde. Ik besluit hem Coco te noemen.
Na een stuk over het strand gelopen te hebben met aan de ene kant de dichtbegroeide jungle
en aan de andere kant de blauwe zee, ontdek ik een zwerm vogels heel hoog in de lucht.
Coco is op mijn schouder gesprongen en heeft de schelp nog steeds in zijn knuistje geklemd.
Hij wijst naar de vogels die in een cirkel om iets heen lijken te vliegen.
Op dit punt houdt het strand op en komt de jungle tot aan het water.
Dit betekend dat als we niet terug willen, er niks anders op zit dan de route door de jungle te
nemen. Meteen voelt het alsof mijn keel weer wordt dichtgeknepen en ik snak naar adem. Ik
voel mij doodsbang. Ik wil niet alleen door de diepe donkere jungle. De twijfel slaat toe en
even overweeg ik om terug te lopen over het strand in de hoop daar een veiligere route te
vinden. Maar het vooruitzicht om het lange eind over het strand weer terug te moeten lopen
zonder enige garantie op het vinden van een betere route, doet mij besluiten om Coco
gewoon maar weer te volgen. Hij wijst al een tijdje naar een hele dikke boomstam. Een hele
hoge drempel die we over moeten. Het kost hem geen enkele moeite om erop te klimmen
maar dat geldt niet voor mij. Ik zet me over mijn angst heen en begin aan de klim. Coco
probeert me omhoog te hijsen door aan het touw te trekken dat nog steeds om mijn lichaam
gewikkeld zit. Zonder hem zou dit mij nooit lukken.
Naarmate we dieper de jungle in lopen wordt het donkerder en donkerder.
Ik voel spinnenwebben langs mijn lijf en takjes kraken onder mijn blote voeten. Ik ben bang
en ik wil vluchten maar rennen gaat niet vanwege het zware gewicht van het touw om mij
heen.
Het touw snijdt in mijn schouders en ik weet niet hoe lang ik dit nog volhoudt. Plotseling
hoor ik gekrijs van andere apen. Coco is weer op mijn schouder gaan zitten en laat de schelp
in het voorvakje van mijn tuinbroek glijden. Hij kent alle apen in de jungle en gidst mij
verder door de jungle tot ik overmant wordt door vermoeidheid en ik het gevoel heb niet
meer verder te kunnen. Totaal
uitgeput laat ik mij op de grond tegen een boomstam aan zakken en val ik even in slaap
Ik wordt wakker door het gekraak van takken en tussen het gebladerte zie ik in een flits de
schaduw van een katachtig dier. Coco is nergens te bekennen. Te slaperig om in paniek te
raken zie ik twee figuren en een paard op mij afstappen. Een vrouw met helder groene ogen
en lange zwarte krullen. Ze wordt vergezeld door soort dwergachtig mannetje. Zou het
sneeuwwitje zijn? Dan wordt het weer zwart voor mijn ogen en zak ik weer weg.
De vrouw knielt naast mij neer en legt haar hand op mijn voorhoofd.
Bea: Abe, ze heeft hoge koorts. Deze moet zo snel mogelijk getemperd worden. Haal gauw
een doek met koud water. Ik wacht bij haar.
Abe scheurt een lapje stof van zijn paarse gewaad en verdwijnt weer tussen de bomen. Even
later komt hij terug met een natte lap en een halve kokosnoot water.
Badend in het zweet kom ik weer half bij bewustzijn nog niet in staat om op Bea en Abe te
reageren die mij proberen te verlossen van het touw dat inmiddels veel te strak om mij lijn
heen gewikkeld zit en mij in een wurggreep houdt. Bea dept mijn voorhoofd met de koude
natte lap en laat mij van het water uit de kokosnoot drinken.Bea: Ik ga je helpen deze last te dragen
Als ik een beetje bijgekomen ben helpen Bea en Abe me overeind.
Ik: Wie zijn jullie?
Abe: Dat kunnen we beter aan jou vragen.
Bea: Ik ben Bea en dit is Abe. Samen reizen wij door het Land van Lincei.
Abe: Wie ben jij?
Ik: Dat weet ik dus niet precies. Ik ben wakker geworden op het strand met dit touw om mijn
enkel en.. Hebben jullie trouwens een aapje gezien?
Abe: Bedoel je: āauw!ā die ondeugende rakker die mij steeds belaagd met zijn paranoten,
āauwā! Hou daar mee op! Jij deugniet!
Coco heeft zich verstopt in het gebladerte boven ons en bestookt Abe door met paranoten
naar zijn hoofd te gooien. Ik ben opgelucht het aapje te zien.
Bea: We begrijpen je verwarring. Lees eerst maar eens deze brief. Het is de brief van Lincei.
Bea overhandigt mij de brief. De letters dansen nog een beetje voor mijn ogen waarschijnlijk
vanwege de koorts die nog niet geheel gezakt is.
Ik: Op missie? Door het land van Lincei? De band tussen mens en natuur herstellen? Ben ik in het oog van een lynx gesprongen?
Bea: We zoeken naar alles wat we vergeten zijn, onze herinneringen aan wie we zijn en
waar we vandaan komen. De lynx heeft ons op missie gestuurd om ze terug te vinden.
Abe komt met een fluwelen zakje aanzetten. Het is het alfabet van magische schrift
Abe: Eerst maar eens effe grabbelen! Ik: Grabbelen?
Abe: Grabbel maar raak! 7 letters.
Steeds als ik het zakje wil pakken, trekt Abe het gauw weg zodat ik steeds misgrijp. Hij vind
dit zelf nogal grappig en proest het uit van het lachen. Bea spreekt hem streng toe
Bea: Ze heeft nog koorts Abe. Hou daar even rekening mee
Abe: oja, effe vergeten..
Ik schuif wat met de 7 letters die ik uit het zakje gegrabbeld heb. De naam ROSA verschijnt.
Abe: Welkom Rosa! Ga je met ons mee?
Rosa: Als ik nog op mijn benen kan staan, graag!
Ondanks dat ik Abe maar een gek mannetje vind ben ik zeer dankbaar voor de hulp en
gigantisch opgelucht dat ik eindelijk andere mensen heb ontmoet en mij samen met het
aapje bij hen aan mag sluiten.
Dankzij deze ontmoeting voel ik mij niet langer alleen en door het lezen van de brief heb ik iets meer grip op de zaak gekregen. Ik heb nu op zijn minst iets van een verklaring voor de
raadselachtige situatie waar ik mij in bevind.
Dan verschijnt er een witte kwikstaart op ons pad. Abe heeft de vogel al eerder gezien.
Abe: Daar ben je weer! Dat is de witte kwikstaart uit het paradijs die mij al vanaf het
moment dat ik hier ben, de weg wijst!
Rosa: Paradijs? Dat klinkt mij als muziek in de oren. Kunnen we daarheen?
Ik voel ineens een sombere stemming opkomen. Bea en Abe kijken bedrukt.
Abe: Wij komen er net vandaan maar het is er verandert..
Een stilte volgt..
Abe: Het prachtige paradijs aan de voet van de duinen waar ik speelde als kind is
verdwenen..
Ooit leefden er vogels, vlinders, bijen, insecten, planten, bloemen en kruiden in allerlei
verschillende kleuren, soorten en maten. Dat is nu weg. Er is een industrieterrein voor in de
plaats gekomen.
Rosa: Wat erg....
Dikke tranen rollen over de wangen van Abe. Ik zie dat ook Bea tranen in haar ogen heeft
gekregen.
Bea: Abe heeft mij het paradijs uit zijn jeugd laten zien. Het was er zo prachtig...
Maar plotseling verdween het en waren we omringt door hoge schoorstenen met donkere
rookpluimen. De schok was groot..
Abe: Vanaf een duintop zagen we heel in de verte een zee liggen. Bea: Dat moet de zee zijn
waar jij vandaan komt Rosa.
Abe: De volgende ochtend zijn we in die richting verder getrokken. We hebben de paarden
gevolgd tot we op deze jungle stuitte en de aap ons kwam waarschuwen dat je er iemand in nood was.
Bea: Laten we de kwikstaart maar volgen. Ga je mee Rosa?
Rosa helpt me om op te staan maar mijn benen zijn nog te zwak om op te lopen. Bea en Abe helpen me om op het paard te komen. Het aapje springt ook achterop. We verlaten de plek waar Bea en Abe mij hebben gevonden en volgen de kwikstaart.
Abe: Een kwikstaart in de jungle, dat is een apart gezicht! Kwikstaarten zijn nou niet bepaald
tropische vogels. Ik hoop dat hij het uithoudt in deze hitte.
Op dat moment horen we een knerpend geluid
Abe: Dat is er wel eentje? Een tropische vogel! Dat hoor je zo!
Dan vliegt er een vogel met een grote prachtig gekleurde snavel over ons heen en na een
paar rondjes om ons heen te hebben gevlogen strijkt hij achter mij neer op de billen van
Caruleum, het paard. Het is een toekan.
Toekan: Laat me eens even naar je snavel kijken? Oh ik zie het al, jij kan je hitte niet kwijt, je neus is veel te klein!
Ik begrijp niet precies wat de toekan daarmee bedoelt maar Abe weet mij uit te leggen dat de snavel van een toekan een bijzondere functie heeft. De grote snavel werkt als een soort
koelsysteem. Zo kan een toekan via zijn snavel snel overtollige lichaamswarmte kwijtraken.
Rosa: maar ik heb het ineens zo koud..
Abe: Het is de tropische variant van de Spechtvogels
Bea: Ik herinner mij die vogel. Hij staat in contact met de spirituele wereld. Zijn boodschap
luidt:
āLaat je stem horen want hebt de wereld iets waardevols te vertellen. Durf anders, spannend en brutaal te zijn. Hij zal meer kleur toevoegen aan alle aspecten van je levenā
Na een paar uur de kwikstaart te hebben gevolgd naderen we een open plek in het bos waar de rest van de paarden uit de brief op ons staan te wachten. Om mij te redden hebben Abe en Bea de kudde paarden grotendeels achter moeten laten vanwege de dichte begroeiing. De paarden zijn hiernaartoe gekomen om ons weer op te wachten en verder te leiden door het land van Lincei. Het is inmiddels bijna donker en we zijn allemaal doodmoe.
Bea: Dit lijkt me een geschikte plek om de nacht door te brengen.
Abe: De fazant is op en ik barst alweer van de honger.
Bea: Het is nu donker en te laat om nog op zoek te gaan naar eten. We zullen het even met de bessen moeten doen. Beschutting en slaapplekken creƫren is nu het belangrijkste vooral voor Rosa. De koorts wil maar niet zakken en slapen is op dit moment voor haar het enige medicijn. De grond is te vochtig om op te slapen. Daar moeten we iets op verzinnen.
Abe: We moeten ook een afdak maken tegen die verdomde regen. De rimpels staan in mijn vingers van die verdomde regenbuien.
Bea: Een afdak is inderdaad noodzakelijk maar aan dat gemopper hebben we niks. Steek die energie maar in het bedenken van oplossingen.
Abe: jaja..
Abe herpakt zich en loopt nog een beetje na mompelend op een bananenplant af en
inspecteert de bladeren. Bea helpt me van het paard maar ik ben te verzwakt om nog wat te zeggen. Ik herinner mij alleen nog maar wat flarden van het laatste etappe van de reis. Bea heeft mij goed verzorgt en heeft me af en toe laten drinken uit kokosnoten en lianen. Ik zie nog vaag de bezorgde blik van het aapje nog voor me die tijdens de rit naast me was komen om de natte lap op mijn hoofd te houden. Ik ben goede handen maar nu kan ik alleen nog maar slapen. Ik zak weg in een diepe slaap en ik droom.
Bij het wakker worden vraag ik mij weer af waar ik ben. Waar ben ik? Ik hang in een soort
paarse doek. Mijn droom staat me nog helder voor de geest. Ik droomde over de vrije val in
het oog van Lincei. Ik duizel nog na. Dan ruik ik een zoete amandelgeur en hoor ik een
vuurtje knetteren. Dan zie ik Bea en begint mij weer het een en ander te dagen.. Ik ben
Rosa..Bea is iets aan het roosteren boven het vuur. Geen amandelen maar een soort paddenstoelen. Het ruikt lekker.
Zo te zien zit mijn voet nog steeds vast aan het lange touw maar de pijn en vermoeidheid die ik gister voelde is weg. Dan zie ik boven mij op een tak het aapje zitten.
Rosa: Hoe lang zit je me daar al aan te gapen?
Het aapje springt vrolijk heen en weer
Bea: Hey slaapkop, ben je er weer? Rosa: Goedemorgen Bea
Bea: Goedemorgen? Goedenavond zal je bedoelen. Over een uurtje wordt het alweer
donker.
Rosa: Heb ik dan de hele dag geslapen?
Bea: Aan de zon te zien bijna twee keer het klokje rond. We hebben ons ernstige zorgen
over je gemaakt en het aapje heeft dag en nacht over je gewaakt.
Dan hoor ik in de verte iemand vrolijk fluiten. Het is Abe, de dwerg die in opperbeste
stemming aan komt huppelen. Af en toe bukt hij om iets op te rapen. Hij houdt een gevulde zak omhoog.
Bea: Hij heeft er nog veel meer van gevonden zo te zien. Amandelpaddenstoelen (Agaricus
Subrufescens)
Abe pakt er een uit de zak en laat hem aan mij zien.
Abe: Kijk eens aan. Hier hebben we het tropische neefje van onze welbekende vriend: de
champignon.
Bea: Deze bezitten bovendien medicinale eigenschappen. Deze champignon behoort tot de krachtigste immuunsysteem-stimulerende paddenstoelen.
Abe: In Japan, China en Braziliƫ is deze paddenstoel dan ook officieel geregistreerd ter
behandeling van kanker.
Bea: Japan? China? Waar is dat?
Abe: Dat zijn landen op planeet aarde maar hoe je er komt en hoe ver we er vanaf
verwijderd zijn weet ik eigenlijk niet.
Abe krabt zichzelf bedenkelijk achter de oren.
Abe: Ik heb eigenlijke geen flauw idee...
Rosa: Bevinden we ons überhaupt wel op planeet Aarde? Komen we daar dan vandaan?
Abe: ja daar komen we vandaan!
Bea: Moeder Aarde...ja daar leven wij. Dat is ons thuis. Maar Abe, wat zijn landen?
Abe: De mensen hebben bezit genomen van de planeet en het oppervlak in stukken
gesneden en onderling verdeeld. Een zoān stuk noemt men: Een land Bea: Is dat een grap? Hoe kunnen wij de aarde nou bezitten? Wat een vreemde gedachte. De aarde bezit ons zal je bedoelen!
Weer krabt Abe zichzelf vertwijfeld achter de oren..
Abe: Daar zeg je me wat.
Rosa: maar waar bevinden we ons nu dan? Op planeet Aarde?
Bea: In het land van Lincei...maar of dat ook een land is op planeet Aarde weet ik eerlijk
gezegd niet.
Abe: Het verloren land uit mijn jeugd bevind zich op planeet Aarde dat weet ik wel...alleen
dat is heel lang geleden. En hoe zat het ook alweer met tijd en ruimte?
Abe zijn dwergenhoofd draait nu op volle toeren en hij ziet er inmiddels uit als een
verstrooide professor met zijn wilde krullenbos.
Ook in mijn hoofd duizelt het van de vele onbeantwoorde vragen inclusief de vraag hoe ik
de kist ooit open krijg en weer toegang krijg tot wat mijn hart mij wil vertellen.
Tijdens het eten van de geroosterde paddenstoelen deel ik mijn verhaal over de kist met Bea en Abe en komen we tot de conclusie dat er niks anders op zit dan weer terug te gaan naar de plek aan zee waar ik vandaan ben gekomen om met
behulp van Bea en Abe de kist alsnog open te krijgen. Ik heb er een hard hoofd in.
Abe staat op om nog wat paddenstoelen te zoeken. Bea en ik praten nog wat na totdat we
plotseling worden opgeschrikt door een oorverdovende knal, een soort explosie. Meteen zien we een grote stofwolk opstijgen in de vorm van een paddenstoel. We springen op en snellen ernaartoe om te zien of alles goed is met Abe niet wetende dat we regelrecht de giftige sporen van de gele Aardappelbovist opsnuiven. We treffen Abe languit op de grond in een soort gele smurrie. Hij kijkt ernstig verward maar weet ons nog net te vertellen dat hij op een grote gele paddenstoel was gaan zitten toen deze onverwachts ontplofte. Kort daarna begint alles om ons heen te draaien en moeten Bea en ik er ook bij gaan zitten. Voordat we in trance raken verteld Bea mij nog iets over de symbiose van de zojuist ontplofte Gele Aardappel bovist.
Bea: De zwam waar Abe op was gaan zitten leeft samen met deze grote boom. Zowel de
zwam als de boom profiteert van hun symbiose. De zwam haalt mineralen uit de bodem en staat die af aan de boom en in ruil daarvan krijgt hij er suikers van de boom voor terug.
Rosa: Dat klinkt heel romantisch maar zo te zien is hun huwelijk nu ontploft.
Bea: Er bestaan verschillende vormen van symbiose..
Op dat moment voelde ik dat de grond onder me begon te bewegen alsof hij vloeibaar werd. ik werd zo draaierig dat ik niet meer in staat was om nog langer naar Bea te luisteren. Het voelde alsof al het leven om me heen begon te verdwijnen, alsof al het kleurrijke bruisende leven uit de jungle gezogen werd steeds sneller en sneller totdat ik niets meer kon zien en er een doodse stilte volgde.
Toen ik mijn ogen opende zag ik duizenden palmbomen, allemaal precies dezelfde bomen
keurig naast elkaar in lange rijen. Waren dit wel echte bomen? Ik liep op een boom af en
voelde aan de stam om te voelen of ze misschien van plastic waren. Het was een echte
boom maar er was iets goed mis. Ik liep van boom naar boom en zag dat de rijen zich tot inde oneindigheid leken uit te strekken in welke richting ik ook keek. Ik voelde dat ik in paniek raakte en begon te rennen in de hoop ergens een teken van leven te ontdekken of op zijn minst een onderbreking in deze eindeloze monotonie. Er heerste een doodse stilte.
Alles voelde strak en doods. Geen geluid, geen zuchtje wind, zelfs geen wolkje aan de lucht
te ontdekken. Zag ik maar een wolkje aan de lucht. Alles beter dan deze naargeestige
regelmaat verstoken van elke vorm van leven. Wat een hel! Waar is iedereen? Help mij!
Tot mijn grote blijdschap verschijnt uit het niets de witte kwikstaart om mij de weg te wijzen en te verenigen met de anderen.
Het aapje lijkt ook opgelucht om mij weer te zien en springt vrolijk op mijn schouder.
Rosa: Waar zijn we nu toch beland?
Bea: We hebben zojuist in de verte een lynx voorbij zien komen. Het moet Lincei geweest
zijn.
Abe: Misschien halen we hem nog in als we vlug zijn.
We lopen in de richting van de plek waar Bea en Abe de lynx hebben gezien. Midden op het
pad zien we iets liggen. Het is weer zoān mooi versierde koker. Abe pakt hem van de grond
en tovert er een brief uit tevoorschijn.
Abe leest de brief van Lincei voor:
Dit is en palmolieplantage. Palmolie is de meest geconsumeerde plantaardige olie op de
planeet Aarde, en wordt aangetroffen in veel verpakte producten die in de supermarkt
worden verkocht. Hoewel palmolie de meest efficiƫnte bron van plantaardige olie is, bedreigt de snelle uitbreiding ervan de habitats van verschillende soorten dieren zoals de Orang-oetang. Het spijt me dan ook jullie te moeten mededelen dat jullie vriend Coco, momenteel met uitsterven wordt bedreigd. Palmolie vervangen door oliƫn zoals kokosolie, sojaolie of zonnebloemolie, lost de problemen van ontbossing en natuurverlies niet op. Deze planten hebben namelijk ook een plek nodig om te groeien Ʃn leveren zelfs minder olie per hectare dan de oliepalmvrucht. De mens zal met oplossingen moeten komen anders zal de Orang-oetang voorgoed uitsterven.
Rosa: Daar moet ik toch niet aan denken.
Dan horen we een harde knal en zien we tussen de bomen een man wijdbeens op het pas
staan. Hij heeft een geweer vast en houdt ons onder schot. Voordat we ons ook maar uit de voeten kunnen maken, lost hij een schot. āPangā
Abe: Dat is Donkers! Ren voor je leven!
Tijdens de vlucht verlies ik de schelp die ik al die tijd in het voorvakje van mijn broek heb
bewaard. Coco rent terug om hem voor me te pakken maar dan klinkt er weer een schot
āPangā Ik kijk nog achterom maar zie dat de plantage is verdwenen. We zijn weer in de
jungle terug op de open plek waar we hebben overnacht. Abe zit nog steeds helemaal onder de gele smurrie van de Aardappel Bovist. Voor me ligt de schelp.
Rosa: Coco! Waar is Coco?
Als ik achter me kijk zie ik Bea over iets heen leunend in het gras. Als ik dichterbij kom zie ik dat het Coco is die daar ligt. Bea aait hem over zijn lijfje en kijkt me verdrietig aan en een
dikke traan rolt over haar wang. Coco is dood....
Er volgt een periode van diep verdriet en rouw. Coco was mijn steun en toeverlaat. Zonder
hem had ik de jungle nooit durven te betreden en had ik Bea en Abe nooit ontmoet. Hij gaf
me moed en de kracht om door te zetten. Hoe moet ik nou verder zonder hem?
Na het lijfje in een paarse doek te hebben gewikkeld begraven we hem op een mooi plekje
onder een boom. We versieren het grafje met de mooiste steentjes, bladeren en bloemetjes die we maar kunnen vinden. Tijdens het ritueel strijkt er uit het niets een roodborstje neer op mijn schouder.
Bea: Roodborstjes staan symbool voor hoop en liefde. Ze heeft een boodschap voor je Rosa, van Coco....




Opmerkingen